2    De menselijke geest

De oorsprong van de menselijke geest
Willem Frankenhuis
- 4 reacties

Het dilemma van de vrije wil in de forensische psychiatrie
Marleen Nagtegaal
- 1 reactie

Gesitueerde Expertise
Erik Rietveld
- 6 reacties

De wreedheid van kinderen
Merel Schogt
- 4 reacties

Zijn wij anders dan Nazi-beulen?
Daniel Paarlberg
- 3 reacties

Evolutie en cognitieve functies
Michiel van Lambalgen

Op naar een rijkere evolutionaire psychologie
Annemie Ploeger
- 11 reacties

'Darwin hat den Geist vergessen!'
Machiel Keestra

Column: Hebben wij een ziel te verliezen?
Ed P.J. van den Heuvel
- 10 reacties

colofon  issn 1879-8144  12 oktober 2004

Alle edities   Vakgebieden            
English   Over Blind       Vacatures
Volg ons:               
© 2004–2019 Blind    disclaimer   cookies

 

BLIND
2
 online interdisciplinair tijdschrift  
BLIND 2
alle edities      



zoeken + vakgebieden       



random editie       



vorige editie       



volgende editie       
naar boven       

De historici Christopher Browning en Daniel Goldhagen voerden in de jaren negentig een discussie over de jodenvervolging in Duitsland. Inzet was de vraag waarom honderdduizenden mensen actief en bewust hebben meegewerkt aan de massamoord op hun landgenoten. In dit artikel analyseert Daniel Paarlberg hun discussie. Hierbij besteedt hij niet alleen aandacht aan historische, maar ook aan psychologische en sociologische factoren.

Daniel Paarlberg heeft de Bèta Gamma Propedeuse gedaan en studeert nu sociologie en politicologie.


Lees het artikel

BLIND 2 - De menselijke geest
sluiten


Redactie

Willem Frankenhuis
Judith Molenaar
Matthijs Sala
Daniel Paarlberg
Arno Verweij


Redactieraad

prof. dr. Johan van Benthem
prof. dr. Jose van Dijck
Syb Groeneveld
prof. dr. Michel Haring
prof. dr. Ed van den Heuvel
drs. Machiel Keestra
dr. Bernard Kruithof


klik hier voor huidige redactie


sluiten

Zijn wij anders dan Nazi-beulen?

Browning vs. Goldhagen

              
alle bijdragen van deze auteur
korte inleiding & meer over de auteur
all articles by this author
short intro & about the author
artikel door Daniel Paarlberg

De wreedheden die in de Holocaust zijn begaan houden wetenschappers al jaren bezig. Op de vraag hoe een volk, dat zo ontwikkeld is dat het grootheden als Goethe en Marx heeft voortgebracht, over een periode van vijf jaar zes miljoen joden heeft kunnen vermoorden, is nog geen bevredigend antwoord gegeven.

Een onmiskenbare factor in de Holocaust is de Tweede Wereldoorlog geweest. Zonder de mobilisatie en de inname van grote gebieden waar veel joden woonden (met name in het oosten) had deze genocide nooit op deze schaal plaats kunnen vinden. Maar dit geeft geen antwoord op wat er eígenlijk met de vraag wordt bedoeld, namelijk hoe je honderdduizenden mensen (Goldhagen pp. 177) zo ver krijgt actief en bewust mee te werken aan de massamoord op een groep landgenoten.

Een na de oorlog veelgehoord excuus was ‘Wir haben es nicht gewußt’: we wisten het niet. Inmiddels zijn historici het er wel over eens dat dit niet waar kan zijn. De Nazi-politiek is sinds zij de macht grepen voor een belangrijk deel gericht geweest op het ‘Jodenprobleem’. De afkondiging van de Neurenberger wetten, waarbij de Joden tot sociaal doden werden verklaard, de Kristallnacht, het vormen van ghetto’s en het enorme netwerk aan kampen (alleen in de kleine deelstaat Hessen waren er al 606 (Goldhagen pp. 191)) laten niet veel ruimte voor onwetendheid. Bovendien impliceert dit excuus dat als ze het wél hadden geweten, ze er iets aan hadden gedaan. Er waren honderdduizenden Duitsers die actief en bewust hebben deelgenomen aan de Holocaust. Zij waren in ieder geval wél op de hoogte van de bedoelingen en resultaten. Volgens dit excuus zouden zij dan geen juiste afspiegeling van de Duitse bevolking vormen en gerekend moeten worden tot een selecte groep psychopathische sadisten. Gezien hun grote aantal lijkt dit vrij onwaarschijnlijk.

Reserve Police Battalion 101

In de jaren negentig wordt door de historici Daniel J. Goldhagen en Christopher R. Browning een publieke discussie gevoerd over de ware beweegredenen van de daders. In 1992 opent Browning de discussie. Hij publiceert dan het boek ‘Ordinary Men’, waarin hij verslag doet van Reserve Police Battalion 101. Het is een bataljon, hoofdzakelijk bestaande uit reservisten, dat in de periode van juli 1942 tot november 1943 in Polen deelneemt aan de liquidatie van Joden. Gedurende het hele boek probeert Browning het ‘gewone’ aan de mensen van het bataljon te onderstrepen.

Voordat het bataljon naar Polen gaat, is slechts een klein deel van de mannen bekend met de Duitse zuiveringsacties in het oosten. Het overgrote deel was daar onbekend mee en had, op een aantal WO I–veteranen na, geen oorlogservaring. De mannen waren vooral afkomstig uit Hamburg en zij waren in het bataljon zo dominant dat zelfs mensen uit betrekkelijk nabije steden als Wilhelmshaven zich outsiders voelden. De gemiddelde leeftijd van de mannen was 39 jaar en de helft was tussen de 37 en de 42. Dit betekent dat zij allemaal gevormd zijn in de periode voor het Nazi-tijdperk en politieke standaarden en morele normen hebben gekend, anders dan die van de Nazi’s. Ze behoorden voor het grootste deel tot de arbeiders –of lagere middenklasse en de meesten hadden na het verlaten van de Volksschule, 14 of 15 jaar oud, geen verdere opleiding gehad. Gezien deze achtergronden en het feit dat Hamburg een van de minst genazificeerde steden van Duitsland was, mag volgens Browning worden aangenomen dat dit niet de meest voor de hand liggende groep is om massamoordenaars uit te selecteren.

Browning’s verklaringen

Browning wil ons, door ons ervan te overtuigen van hoe normaal de daders zijn, laten zien dat ook wij tot zulke daden in staat zijn. Hij geeft aan het einde van het boek wel een aantal factoren die hebben bijgedragen aan de daden, maar komt daarbij niet tot nieuwe conclusies.

De meeste verklaringen die Browning aandraagt zijn psychologisch van aard. Hij heeft veel aandacht voor het zelfselecterende karakter van beulen. John Steiner betoogt, na onderzoek van een groep voormalige SS’ers, dat deze mannen karaktereigenschappen bezitten die in normale situaties latent blijven maar in buitengewone situaties manifest worden. Hij bouwt hiermee vooral op de socioloog Theodor Adorno en diens onderzoek naar ‘autoritaire persoonlijkheden’. Volgens Adorno waren ‘potentieel fascistische individuen’ bijzonder gevoelig voor antidemocratische propaganda. Deze personen konden herkend worden aan de hand van kenmerken als strikte toewijding aan conventionele waarden, ondergeschikte houding naar autoritaire figuren en agressiviteit naar minderheidsgroepen. Zulke mensen zullen zich bovengemiddeld aangetrokken hebben gevoeld tot instellingen als de SS. En gebracht in situaties waarin een beroep wordt gedaan op deze eigenschappen zouden deze eigenschappen manifest worden. Deze factor zal bij de directe beulen misschien een rol hebben gespeeld, maar het blijft de vraag of dit ook bij de zogenaamde ‘schrijftafelmoordenaars’ een rol heeft gespeeld. Daarvoor lijkt hun aantal simpelweg te groot.

Een soortgelijke factor, maar meer sociologisch van aard, is aangedragen door Philip Zimbardo. Hij heeft een groep als normaal beschouwde mensen onderverdeeld in bewakers en gevangenen. Ondanks dat lichamelijk geweld was verboden, ontwikkelden de bewakers binnen zes dagen bijzonder vernederende methoden om de gevangenen te controleren. Wat vooral opviel was het gemak waarmee ‘niet-sadistische typen mensen’ over konden gaan tot sadistisch gedrag. Volgens Zimbardo was de gevangenisomgeving de reden dat deze mensen afwijkend en anti-sociaal gedrag gingen vertonen. Deze verklaring is vooral van belang voor Reserve Police Battalion 101, omdat daar waarschijnlijk geen zelfselectie heeft plaatsgevonden. Integendeel: veel mensen zaten in dit bataljon omdat ze plaatsing bij de SS wilden ontlopen.

Een andere sociologische factor is distantie. Dit begrip is vooral gebaseerd op gedachten over moderniteit en komt voort uit de ideeën van met name Max Weber. Weber heeft zich bezig gehouden met het vervreemdende karakter van bureaucratische organisaties: een ver doorgevoerde arbeidsdeling en verantwoordelijkheidsstructuur zorgt voor een situatie waarin de mensen die daarin werken nauwelijks meer enige binding hebben met het eindproduct. Het vernietigingsapparaat dat de Duitsers hadden ontwikkeld voor de holocaust was zo bureaucratisch, dat de werkzaamheden die de mensen hadden op vrijwel geen gewetensbezwaren stuitten.

Een laatste psychologisch element wordt gevormd door de groepsdruk. Hiermee bedoelt Browning niet zozeer het opgestookt worden door andere leden van de groep, maar het idee dat je het vuile werk niet aan je kameraden over kunt laten.

Goldhagen: De anti-semitische Duitse samenleving

Het algehele doel van Browning is het ontkrachten van het argument dat een diepgeworteld anti-semitisme heeft geleid tot de holocaust. Dat is bij zijn tegenstander, Daniel Goldhagen, wel anders. Hij publiceerde in 1996 Hitler’s Willing Executioners, waarin hij betoogt dat de Duitse samenleving al zo lang doordrenkt was met anti-semitisme dat het alleen een kwestie van wachten op het goede moment was om de genocide te beginnen. Deze verhandeling geeft ons een goed inzicht van hoe, in een ontwikkelde samenleving, zulke ‘a-morele’ denkbeelden toch kunnen ontstaan en kunnen uitgroeien tot zulke proporties.

Volgens Goldhagen kent het anti-semitisme zijn grondslag in het christendom. ‘…zolang de joden de openbaring van Jezus verwierpen, betwistten zij onbewust de geloofsovertuiging van de christenen. Als de joden, Gods volk, de messias afwezen die God zelf hun beloofd had, dan klopte er iets niet. Ofwel was de messias een bedrieger, ofwel was Gods volk op een dwaalspoor mogelijk daartoe verleid door de duivel zelf. De eerste veronderstelling was voor de christenen onbespreekbaar, dus kozen ze met hart en ziel voor de tweede optie’ (Goldhagen, pp. 57). Ook waren de joden, als afstammelingen van de moordenaars van Jezus en als verwerpers van hem als messias, volgens de christenen medeplichtig aan de dood van Jezus. Al sinds de 4e eeuw werden deze gedachten aangehangen door de meeste christenen in Europa. De joden werden gezien als vertegenwoordigers van de duivel en daarom werd ook serieus en openlijk getwijfeld aan de vraag of joden überhaupt wel mensen konden zijn. Van alle rampspoed, zoals pestepidemieën, kregen de joden de schuld. Toch werden zij toen nog niet uitgeroeid, omdat ze nog te redden waren. De bekering van de joden tot het christendom zagen de christenen als de ultieme overwinning van het christendom.

In de loop van de 19e eeuw veranderde dit beeld. Als gevolg van de Duitse nationalisatiedrang werden de joden aangegrepen als een gemeenschappelijke vijand. Ze werden niet meer in de eerste plaats gezien als religieuze groepering, maar als volk en als politieke gemeenschap. Ook werd de kritiek op de joden voor het eerst heel duidelijk geformuleerd: de jood stond lijnrecht tegenover de Duitser en zijn aard was ondermijnend en kwaadaardig. Zoals veel benaderingen van de samenleving in die tijd maakte men gebruik van de organische beeldspraak. De samenleving werd gezien als een levend organisme waarin de bestaande instituties elkaar aanvulden. De joden namen in deze metafoor de plaats in van een collectief ettergezwel, dat in het belang van het hele organisme weggesneden moest worden. Een belangrijk gevolg van deze veranderingen was dat men de joden als ras ging zien, wat niet religieus bepaald was maar genetisch. En dit nam het motief om de joden níet te doden, namelijk de mogelijkheid om hen te redden door bekering, weg. De gevolgen die dit had vielen in eerste instantie, in vergelijking met wat ging komen, mee. Ondanks dat ook de gezagsdragers wel degelijk het anti-semitisme uitdroegen, lag hun prioriteit bij het handhaven van de orde.

Deze anti-semitische opvattingen werden in alle geledingen van de Duitse samenleving uitgedragen, zoals op scholen en in verenigingen. Niemand kon er meer aan ontkomen en zelfs de meest gematigde mensen konden niet ontkennen dat er sprake was van een ‘jodenprobleem’. Het ‘exterminatiedenken’, de opvatting dat hun fysieke vernietiging de enige oplossing was voor het jodenprobleem, werd gemeengoed. Ook in de politiek was anti-semitisme een belangrijk onderwerp. Er waren zelfs politieke partijen die zich in de eerste plaats onderscheidden door hun anti-semitische opvattingen. Het aanvankelijke electorale succes (in 1893 behaalden ze gezamenlijk zelfs een meerderheid in de Rijksdag) laat het gewicht zien wat aan anti-semitisme werd toegekend in de samenleving. Hun latere neergang is niet te wijten aan een afname van dat belang, maar aan het feit dat andere politieke partijen zich ook duidelijker anti-semitisch gingen onderscheiden.

Jodenvervolging

Wanneer de Nazi’s aan de macht komen, is duidelijk dat een belangrijk deel van hun politiek gebaseerd is op anti-semitisme. In zijn boek Mein Kampf laat Hitler al ver voor hij aan de macht komt merken dat de joden volgens hem uitgeroeid moeten worden. Veel historici zien het geleidelijke proces naar de uiteindelijke genocide als een bewijs dat het Duitse volk klaar moest worden gemaakt voor de genocide. Goldhagen wijst dit van de hand. Volgens hem was het op dat moment belangrijker dat de interne orde gehandhaafd bleef en de buitenlandse politiek niet te veel op de spits zou worden gedreven. De Duitsers geloofden namelijk dat de joden de macht uitmaakten in de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten en een interne vervolging van de joden zou daarmee een oorlog veroorzaken, iets waar Duitsland op dat moment niet klaar voor was. Zo bleef het voorlopig bij verbaal en fysiek geweld en pogingen om de joden te isoleren (Neurenburger wetten). Pas toen de Tweede Wereldoorlog de argumenten tegen een genocide wegnam konden de Duitsers overgaan tot de Holocaust.

Wat opvallend is, is dat in het proces naar de Holocaust de bereidheid van het Duitse volk nooit de beperkende factor is geweest. Ook tijdens de Holocaust zelf waren de Nazi-leiders min of meer verrast door het gemak waarmee mensen konden worden aangezet tot massamoord. De eerste moordpartijen beperkten zich tot joodse mannen en kleine aantallen. Hierdoor zouden de daders later minder terugschrikken voor grotere bloedbaden. Ook konden de daders de mannen zien als echte vijanden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld vrouwen en kinderen. Op deze manier zouden ze worden klaargemaakt voor het echte werk. Wat opmerkelijk is, is dat vrijwel geen van de daders achteraf deze uitbreidingen noemt. Hieruit kan worden opgemaakt dat men het de normaalste zaak van de wereld vond en dat blijkt ook uit het feit dat er niets bekend is van een gebrek aan bereidwilligheid onder de daders. Uit dit alles blijkt volgens Goldhagen dat er een wijdverbreid, diepgegrond anti-semitisme heerste waar de Holocaust slechts de langverwachte realisatie van is.

Het beeld wat Goldhagen schetst, behoeft voor de geschiedschrijving wel de nodige nuancering. Natuurlijk zijn de factoren die Browning aandraagt, zoals zelfselectie, groepsdruk, distantie en de transformatie van mensen onder buitengewone omstandigheden, als motieven voor de daders niet ongegrond en zij zullen beslist hebben bijgedragen aan hun daden. Maar Goldhagen heeft wel met aanzienlijk succes gewezen op het effect wat de volksgeest op het gedrag van de individuele burgers kan hebben. En zeker in combinatie met andere extreme omstandigheden, zoals oorlog en onvrede, kan dit leiden tot gruweldaden als de Holocaust. En er is geen reden om aan te nemen dat als dat toen in een ‘ontwikkeld’ land kon gebeuren, dat nu niet weer kan gebeuren.

Lees nóg een artikel over

geschiedenis

psychologie

sociologie


of lees verder in

of deel

                   

Noten en/of literatuur

Goldhagen, Daniel J. (1996). Hitlers gewillige beulen. Amsterdam: De Bezige Bij
Browning, Christopher R. (1992). Ordinary Men. Londen: Penguin Books Ltd.

Reactie van Wim Rietdijk

Geplaatst op 19 november 2004 om 14:44:39

ENKELE VRAGEN EN COMMENTARENHet gedegen en stimulerende artikel van Daniël Paarlberg prikkelt tot enige vragen en aanvullingen. Bijvoorbeeld:1. Zijn Adorno's "autoritaire persoonlijkheden" zo geworden door hun omgeving of ook door hun genetische constitutie?2. Kun je (bijna) iedereen door sociale beïnvloeding brengen tot zo ongeveer elke levensvisie, elk waardenstelsel en elke wandaad?3. Zo niet, zit het individuele verschil qua manipuleerbaarheid dan vooral in aanleg of in sociale ervaringen?Een politiek correct antwoord op deze vragen zou (tot voor kort) luiden dat vrijwel de hele mens, zijn waardenstelsel en ook zijn geneigdheid tot ontsporingen sociaal bepaald zijn, en niet deels door aanleg. Als wetenschapper kun je met zulke "correctheid" niet tevreden zijn. Daarom alleen al wil ik verwijzen naar enkele onderzoeken die relevant zijn voor de problemen die Daniël in zijn stuk aan de orde stelt. Onderzoeken die ten dele suggereren dat mensen een in hoge mate genetisch bepaalde, maar individueel gevarieerde geneigdheid hebben om zicha) meer dan wel minder te laten manipuleren door hun (bijvoorbeeld anti-semitische) sociale omgeving;b) meer dan wel minder tegenover hun medemensen te misdragen.Hier volgen enige van zulke onderzoeken:1) Die door resp. Sarnov A. Mednick en Robert Cloninger met een groot aantal zeer jong geadopteerde kinderen in Skandinavië, waaruit bleek dat een criminele levensloop van de geadopteerden - wreedheid of tekortdoen t.a.v. anderen - ongeveer tweemaal zo sterk afhangt van de biologische ouders van die geadopteerden als va hun sociale ouders. (Zie Tijdschrift voor Criminologie, jan. 1985, p. 34 en The Wall Street Journal Europe, 20 febr. 1986.)2) Het klassieke experiment van Stanley Milgram. Deze ging als volgt te werk. Een grote groep proefpersonen werd door "lieden in witte jassen" verzekerd dat het voor een belangrijk experiment noodzakelijk was om, via speciale apparatuur, aan mensen in een belendende kamer een reeks stroomstoten te geven, die steeds heviger werden. "Gefake-te" pijnkreten van de stroom-slachtoffers werden voor de proefpersonen hoorbaar gemaakt, die de ergste gevolgen van de stoten suggereerden. De witte jassen stelden de pp. gerust: "ga maar gewoon door met de stoten, het hoort bij het experiment". Welnu, 80 % van de proefpersonen ging inderdaad door tot en met "doodskreten" uit de belendende kamers. 20 % gaf er voordien de brui aan, de witte jassen trotserende.Conclusie: Die 20 % zat - door hun genen òf door hun sociale verleden - moreel toch anders in elkaar dan de andere 80 %, en zou dus bijvoorbeeld ook op het nazisme anders kunnen hebben gereageerd. (Ook vele niet-joodse Duitsers weken na 1933 uit, mede uit morele onvrede.)3) Het werk van dier- en kinderonderzoeker Frans de Waal, die vond dat kinderen al op zeer jonge leeftijd (2 of 3 jaar) een natuurlijke neiging ontwikkelen tot een geweten, met de strekking om andere kinderen geen leed te berokkenen. ( Toets in op zoekmachine: "Frans de Waal" children conscience.) Los van deze experimenten zijn er redenen om niet al te optimistisch te zijn over het tekort aan immuniteit voor "het kwaad" bij verreweg de meesten, waarover toch wel beide auteurs die Daniël bespreekt, het eens zijn. Paul Cliteur merkte bijvoorbeeld recentelijk nog op dat geen van de grote schrijvers uit de klassieke Oudheid zich ooit heeft gekeerd tegen de destijds massaal bestaande slavernij.De Holocaust is mede gebeurd doordat mensen ook zeer vatbaar zijn voor féitelijke misvattingen (zoals "Joden zijn genetisch minderwardig"), op grond waarvan ze dan ook moreel ontspoorden. Ook de nazi-overtuiging: "Du bist nichts, dein Volk ist alles" deed mensenlevens minder zwaar tellen.Overigens wil ik ook aan deze opmerking een vraag verbinden: Zijn onze eigen politiek correcte leiders - ja, ook wetenschappelijke prominenten -, met hun tegengestelde uiterste: "Alle mensen zijn gelijkwaardig", niet everzeer op gespannen voet geraakt met bepaalde feiten? Immers, hoeveel echtparen die kunstmatige inseminatie ondergaan zullen het sperma van een "randjongere" gelijkwaardig achten aan dat van een welgeschapen, psychisch harmonische Harvard-uitblinker?Abraham de Swaan schreef eens (ik citeer uit mijn hoofd): "De veelgehoorde bewering dat alle cultúren gelijkwaardig zijn, gelooft bijna niemand echt; het is een frase, een beschááfdheidsfrase". Wel, mijn laatste vraag kun je ook zo stellen: "Is de (bijna) obligate stelling dat alle mensen gelijkwaardig zijn niet ook een beschaafdheidsfrase die we niet echt geloven?" Merk verder op dat de betreffende "kreet" ook suggereert dat we allemaal in de grond even goed of slecht zijn.Trouwens, het onder sociologen sterk gangbare morele relativisme impliceert dat evenzeer, en bovendien dat de Holocaust niet echt, niet objectief, slecht was, terwijl zij deze toch heftig veroordelen. Weinigen onder hen lijken deze tegenstrijdigheid te beseffen. Hebben we hier wellicht opnieuw te maken met een frase, ditmaal een vrijblijvendheidsfrase, of een handige methode om altijd onder bepaalde ongewenste argumenten of conclusies uit te kunnen? ("Uw uitgangspunten zijn andere dan de mijne.")


Reactie van Daniel Paarlberg

Geplaatst op 13 december 2004 om 23:19:42

Beste meneer Rietdijk,Allereerst hartelijk bedankt voor uw reactie. Ik stel het zeer op prijs dat mensen mijn artikel zo uitvoerig lezen en de tijd nemen om zo'n uitgebreide reactie te schrijven.Ten eerste een aanvulling op de autoritaire persoonlijkheid van Adorno. Theodor Adorno (1903-1969) was lid van de Frankfurt School, een sociologische school die sterk beïnvloed was door het Marxisme en in mindere mate door Freud's psychoanalyse. Het waren allen Duitse joden die in de jaren '30 naar de VS waren gevlucht, waar de school uiteenviel. Deze drie factoren (Marx, Freud en WOII) stellen de theoriën van deze school in een duidelijker licht. In The Authoritarian Personality benadrukt Adorno slechts hoe de, met name economische factoren (Marx) onbewust de psyche vormen (Freud) met betrekking tot autoriteit (WOII). Ik wil wel benadrukken dat ik persoonlijk deze visie enigszins eenzijdig vind. Als factor om mee te nemen in een interdisciplinair artikel als dit lijkt het me echter zeer waardevol.Ten tweede uw vraag over de sociale beïnvloeding van mensen. Zoals u ook al aangeeft in uw reactie lijkt dit op z'n minst twijfelachtig. Ontwikkelingen in de neuropsychologie (zoals depressies die veroorzaakt kunnen worden door een genetisch bepaald tekort aan serotonine) ondersteunen de genetische grondslag voor sommige geestelijke verschillen. Deze onderzoeken, maar ook die van Adorno, bewijzen dat een eenzijdige benadering nooit een perfect sluitend antwoord zal kunnen geven. Het antwoord op uw derde vraag, waardoor het individuele verschil qua manipuleerbaarheid vooral bepaald zal zijn, lijkt mij wetenschappelijk vrijwel onmogelijk te beantwoorden. Manipuleerbaarheid lijkt mij een zeer moeilijk absoluut vast te stellen grootheid. Maar ik denk niet dat de waarde van het onderzoeken van manipuleerbaarheid zit in het vaststellen van de absolute verhoudingen tussen bijvoorbeeld genetische en sociale factoren. In de praktijk zijn de antwoorden waar wij naar op zoek zijn als het gaat om verschillen in manipuleerbaarheid per definitie relatief: het gaat, zoals u in uw vraag ook zegt, om verschillen. En dan meestal om verschillen (afwijkingen) van de bestaande norm. De waarde van onderzoek naar verschillen in de manipuleerbaarheid van mensen ligt dan ook in het onderzoeken van wat de reden is van individuele afwijkingen. Hier kan een genetische, sociale, culturele of andere grondslag aan liggen, die misschien voor andere leden van de familie, groep, het ras of volk ook opgaan.Wat uw opmerking over pessimisme wat betreft immuniteit voor 'het kwaad', lijken de voorbeelden die u aandraagt mij een ondersteuning voor een moreel relativisme. Ik weet dat u het moeilijk te verkroppen vindt dat volgens het moreel relativisme Auschwitz niet erger of beter was dan de ontwikkeling van de kunstnier, maar in mijn ogen is een moreel oordeel hierover altijd sociaal of cultureel gegrond. Ieder argument tegen het moreel relativisme speelt in op gevoelens, waarvan de oorsprong onzeker is. Wanneer er één iemand is die overtuigend kan bewijzen dat hij Auschwitz slechter vindt dan de ontwikkeling van de kunstnier op basis van genetische factoren, zal ik het moreel relativisme loslaten. Voor dat moment zijn er genoeg redenen om aan te nemen dat oordelen, u noemde er in uw reactie al een aantal, op sociale of culturele factoren berusten. Dit betekent overigens niet dat ik morele oordelen verwerp. In samenlevingen zijn ze van een uitzonderlijk belang en zelfs voor het veroordelen van zaken uit andere culturen of tijden kan ik, ondanks bijvoorbeeld godsdienstoorlogen, positieve punten zien.Ik ben het overigens ook niet met u eens dat de twee auteurs waarover het in dit artikel gaat 'het eens zijn over een immuniteit voor het kwaad'. De beide auteurs proberen juist een beeld te schetsen van hoe de situatie zo afwijkend (niet slechter) is kunnen worden van de situatie die wij nu kennen. Enig moreel oordeel zit daar niet aan verbonden. Dan uw laatste punt. Gelijkwaardigheid is geen gelijkheid. Voor iedere situatie waarin wordt gezegd dat iedereen gelijk is, ben ik het volledig met u eens. Gelijkwaardigheid is echter een veel enger begrip dat vooral betrekking heeft op onze rechtsstaat. Het beginsel van gelijkwaardigheid garandeert dat iedereen door de wet als gelijk wordt behandeld. Of echtparen die kunstmatige inseminatie ondergaan dat vinden doet er niet toe. Dit beginsel lijkt mij, nogmaals: mits in deze enge zin gebruikt, zeer waardevol omdat het onze rechtsstaat juist verhindert te ontsporen in een richting als Auschwitz.Nogmaals, hartelijk dank voor uw reactie en ik hoop dat ik daar hiermee een enigszins bevredigend antwoord op heb kunnen geven.


Reactie van Wim Rietdijk

Geplaatst op 20 december 2004 om 22:36:03

Beste Daniël,Er zijn nog enkele punten van je antwoord waarop ik wil reageren:1) a. Alle moraal begint m. i. bij de vraag: “Wat is onwenselijk, en moet vermeden worden, en wat is gewenst, en moet bevorderd worden?” Het enige waarvan we voor onszelf zeker weten dat het vermeden resp. bevorderd moet worden, is resp. leed en geluk. Dat vormt directe ervaring. Van andere zaken – de eer van God, of vergroting van het vaderland,… - kun je nooit experimenteel of rationeel hard maken dat ze (on)wenselijk zijn. Over eigen leed of geluk zegt je directe ervaring dat daarentegen wel.b. Na deze constatering is de enige rationele gedragslijn: laten we elkaar helpen, leed te minimaliseren en geluk te optimaliseren. Zó dat we zelf bijvoorbeeld een klein geluk opgeven om een ander een groter te geven. Zo heb je een op ervaring en ratio gebaseerde, objectieve moraal (die relativisme ontkracht): zoveel mogelijk geluk en zo weinig mogelijk leed. Zijn leed en geluk als gevolg van je handelen niet te taxeren, dan heeft de moraal ons voor dit geval niets te zeggen. Andere moralen, zoals over Gods eer, hebben dat überhaupt niet; ze zijn zuiver dogmatisch.2) Over Browning en Goldhagen: Zegt niet de eerste: “Iedereen deed mee aan het moorden”, en de laatste: “Iedereen aanvaardde het anti-semitisme al sinds jaar en dag”? Komt dat niet in beide gevallen neer op: “Mensen zijn niet zorgvuldig en consciëntieus inzake andermans leed, maar berokkenen dat massaal op grond van hetzij gedachteloze oppervlakkigheid en domweg meedoen, hetzij het zonder nadenken of onderzoek aanvaarden van het antisemitisme”? D.w.z., ze laten zich blindelings meeslepen door het kwaad, zonder aandacht voor leed of argumenten!3) Menselijke gelijkwaardigheid kun je m.i. in drie belangrijke betekenissen onderscheiden:a. Gelijkheid voor de wet, waarover westerlingen het vrijwel eens zijn;b. Maatschappelijke gelijkwaardigheid, die in linkse kring vaak wordt tot egalitarisme, ofwel het streven allen zoveel mogelijk gelijk te maken in inkomen, opleiding enz.c. Gelijkwaardigheid qua aanleg, dus genetisch: gelijkwaardigheid qua geestelijke gaven, geweten, schoonheid,…Dus “even waardevol als mens”: de hooligan en de heilige, de randjongere en de Nobelprijswinnaar. En dus ook even “voortplantingswaardig”. Alleen deze laatste soort gelijkwaardigheid “droeg ik voor” als kandidaat voor beschaafdheidsfrase. Ze maakt deel uit van de politieke correctheid en van de gedachtewereld van “allen samen naar school”. Aanhangers ervan keren zich ook fel tegen eugenetica: enigermate selectieve voortplanting. Hartelijk dank voor je reactie!Wim Rietdijk


Reageren




De redactie behoudt zich het recht voor om reacties in te korten of te verwijderen indien daar reden toe is.


           


Lees nóg een artikel over

geschiedenis

psychologie

sociologie



Alle edities   Vakgebieden  
             
Wilt u op de hoogte gehouden worden van nieuwe edities en activiteiten van Blind? Meldt u aan voor onze digitale nieuwsbrief:



Het e-mailadres wordt alleen gebruikt voor toezending van de e-mail met de links naar de nieuwe editie. Het adres staat opgeslagen bij MailChimp. MailChimp hanteert een eigen privacybeleid waarmee u instemt als u zich abonneert op onze nieuwsbrief. Elke nieuwsbrief toont een link waarmee toezending kan worden gestopt. Om uw adres eventueel nog te laten verwijderen uit het opzeggingenbestand stuurt u een e-mail aan redactie@ziedaar.nl.