Het mysterie van de seksuele aantrekkelijkheid

Het mysterie van de seksuele aantrekkelijkheid

Eén van de grootste mysteries in het leven van de mens is de aantrekking tussen de geslachten. Al vele eeuwen probeert men een tipje van de sluier van dit mysterie op te lichten. Literatuur, theorieën en opinies over dit thema zijn legio. Maar de vraag blijft: waarom verschijnt iemand uit de ‘grijze stoet’ van mogelijke partners als erotisch aantrekkelijk en een ander niet?

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het uiterlijk in de partnerkeuze een belangrijke rol speelt (Sprecher, 1989). ‘Mooie’ mensen worden aantrekkelijker gevonden dan ‘lelijke’; een schoonheid die onder meer wordt bepaald door een symmetrische lichaamsbouw. Daarbij speelt de schoonheid van het gezicht ook een rol. Vrouwen met vollere lippen en een kortere afstand tussen de neus en de onderkant van de kin worden aantrekkelijker bevonden (Johnston en Oliver-Rodríguez, 1997), terwijl bij mannen die juist groter moet zijn. Naast de schoonheid van het gezicht spelen andere maten een rol, bijvoorbeeld de verhouding van de taille ten opzichte van de heupen. Hoe smaller de taille ten opzichte van de heupen, hoe aantrekkelijker de vrouw (Singh, 1994). Vooral mannen houden in hun partnerkeuze rekening met het uiterlijk. Vrouwen laten zich daarentegen eerder leiden door de socio-economische status van een man (Sprecher, 1989). Maar dergelijke onderzoeken belichten slechts enkele factoren die meespelen in de partnerkeuze.

Een andere theorie legt de oorzaak van de seksuele aantrekkelijkheid bij de geur. Dieren produceren geurstoffen, de zogenaamde feromonen, die afgescheiden worden om seksuele partners te lokken. Zij laten geursporen achter om te laten weten dat zij bronstig zijn. De seksuele aantrekkelijkheid die bij de mens vaak geromantiseerd wordt, zou in werkelijkheid niets anders zijn dan een reactie op een discrete, elementaire, dierlijke geur. Vanuit het gezichtspunt van de evolutie is de reukzin dus één van de meest primitieve en meest belangrijke zintuigen. De mens, in wezen een naakte aap, wordt door een bepaalde partner aangetrokken vanwege deze feromonen. De receptoren waarmee we ruiken liggen hoog in de neus en zijn verbonden met de reukhersenen of de zogenaamde olfactorische cortex. Deze reukhersenen hebben directe verbindingen met het limbisch systeem van de hersenen. Motorische activiteiten en primitieve driften zoals seks, honger en dorst worden door dit systeem geregeld. Klinische en experimentele gegevens tonen dat dit systeem te maken heeft met gevoelens, emoties en gedrag dat instaat voor zelfbehoud. Er zijn minder verbindingen met de neocortex, het deel voor de cognitieve verwerkingen van de hersenen. Vandaar dat het begrijpelijk is dat mensen doorgaans hun geurwaarneming niet in de eerste plaats omzetten in een verstandelijk oordeel of in bewust gestuurd gedrag. Iets ruiken leidt eerder tot emotioneel en soms instinctief gedrag.

Onderzoek naar menselijke feromonen toont aan dat vrouwen vaginaal hormonen, zogenaamde copulins, secreteren die een effect op het seksuele verlangen kunnen hebben (Urdy, 1998). Ook mannen scheiden feromonen af. Het ruiken van deze feromonen kan het verlangen naar seks stimuleren. Ander onderzoek legt een verband tussen geuren en het menselijk gevoelsleven (Prick, 1974). Geuren kunnen aantrekken of afstoten. Carp (Carp, 1977) toont aan dat aangenaam ruikende mensen sympathieker worden bevonden. In dit opzicht is het niet verwonderlijk dat de mens enorm begaan is met zijn eigen geur. Eigenaardig genoeg wil hij eerder zijn lichaamsgeur maskeren met deodorant of allerhande parfums. Meer nog, reclameboodschappen spiegelen de gebruikers van bepaalde producten voor dat men juist hierdoor aantrekkelijker wordt voor het andere geslacht. Volgens Jellinek is het gebruik van parfum juist een middel om een partner te lokken (Claassen, 1993). Lokmiddelen die in vrijwel elke parfum worden verwerkt zijn de zware geuren amber1, muskus2, castoreum3 en civet4. Deze geuren doen ons denken aan zweet, de schaamstreek en uitwerpselen, ondanks dat zij tegenwoordig synthetisch worden gereproduceerd. Slechts in een zeer kleine dosis worden deze stoffen aantrekkelijk bevonden, anders associëren we ze met urine en uitwerpselen.

Een ander experiment dat ondersteuning biedt voor de feromonen als basis van de seksuele aantrekking, is dat van Clark (Gower et al, 1988). Hij besprenkelde stoelen in een theater met 5 α-androstenone, een geurstof die in het okselzweet van mannen voorkomt. Op deze stoelen gingen hoofdzakelijk vrouwen zitten. Hij stelde ook vast dat de programmaboekjes die besprenkeld waren door vrouwen werden meegenomen. Vrouwen worden met andere woorden tot deze geur aangetrokken omdat ze die associëren met mannen. Een andere verklaring die Clark geeft, is dat vrouwen in de geurstof 5 α-androstenone een gelijkenis waarnemen met bepaalde ‘noten’ in gebruikte parfums. Sluitende argumenten voor de stelling van de feromonen geeft de wetenschap echter niet (Baron, 1981), wat niet wegneemt dat de lichaamsgeur wel een rol kan spelen in de selectie van een partner. Het is moeilijk voor te stellen dat iemand met een stinkende mondgeur en met een afstotende lichaamsgeur als een leuk en aantrekkelijk iemand gezien wordt. Temeer omdat deze geuren de gedachte aan ziekte en gebrek aan hygiëne oproepen.

De wetenschap werpt een weinig romantisch licht op de seksuele aantrekkingskracht. Zij slaagt er niet in om het mysterieuze ervan te ontdoen. Romantische zielen geloven daarom liever in Cupido of Eros. Wie getroffen wordt door een gouden pijl van dit aandoenlijke liefdesgodje wordt in vervoering gebracht. Hij lijdt aan een tijdelijke waanzin (mania) en krijgt de ander tijdens een optische illusie in het vizier: deze verschijnt als ‘fantastisch’ – dit wil zeggen als gezien tijdens fantasmata. Maar de verliefdheid is slechts een voorbijgaand verlies van helderheid van het verstand. Deze geromantiseerde kijk op de mysterieuze seksuele aantrekkingskracht gaat zogezegd terug op de Griekse god Eros. Maar het beeld dat de Grieken van Eros hadden, staat ver af van onze courante, geromantiseerde opvatting. Zo blijkt uit het Symposium van Plato dat er niet bepaald met lovende woorden over Eros wordt gesproken. Om het wezen van Eros te verduidelijken grijpt hij terug naar een mythe. Hierin is Eros de zoon van Poros (Vermogen) en Penia (Armoede). In essentie is Eros een tekort van waaruit het verlangen ontstaat. Socrates, zoals gewoonlijk de spreekbuis van Plato, beschrijft Eros echter als een rabauw: vuil, ongeschoeid en dakloos: helemaal niet het romantische beeld van Eros dat wij kennen. Verder wordt Eros omschreven als een jager die voortdurend het mooie nazit. Net als Eros jaagt de mens op het mooie om tegemoet te komen aan zijn begeerte.

Een andere filosoof die zich bezig heeft gehouden met dit thema is Schopenhauer. Hij bespreekt in zijn Metafysica van de geslachtelijke liefde, het 44e hoofdstuk van De wereld als wil en voorstelling, de capriolen en de listen waarmee Eros de mensen voor schut zet. Schoonheid, leeftijd, gezondheid en intellect worden door de mens in zijn partnerkeuze in overweging genomen. Door deze waanvoorstellingen verschijnt de ander als erotisch aantrekkelijk. Hij meent immers dat hij in de armen van een jonge, knappe en intelligente partner een groter genot vindt. Een illusie! Want tussen de lakens kruipen met een intelligent iemand geeft geen groter seksueel genot. Bijkomend zou men zich de vraag kunnen stellen waarom een mens zich om de tuin laat leiden wanneer hij eenmaal Schopenhauer heeft gelezen?

Freuds lustprincipe dat aan de basis ligt van de gehele seksuele ontwikkeling, geeft hierop een mogelijk antwoord. Het lustprincipe beheerst het psychische leven van de mens. De psyche wil zoveel mogelijk onlust vermijden en lust verschaffen. Daarom laat de mens zich vangen door lustvolle verschijningen. In zijn Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie definieert Freud het seksuele object als de persoon ván wie de geslachtelijke aantrekking uitgaat. Het initiatief tot aantrekking lijkt eerder te liggen bij de persoon die begeerd wordt. Deze persoon slaagt erin het individu te prikkelen. Een welgevallige verschijning springt direct in het oog. Het aanstaren of het nakijken ervan is normaal. Hij wordt tot dat object aangetrokken in de hoop op bevrediging van zijn lust, i.e. de afvoer van de spanning die ontstaat door de prikkeling.

Aangezien de seksuele aantrekkelijkheid van het object uitgaat, dient het object verder onderzocht te worden om het mysterie rond Eros op te klaren. In dit opzicht lijkt de visie van Georges Bataille, een Frans denker, interessant. Volgens hem bevindt de mens zich in een paradoxale situatie: hij wil zijn eenzaamheid en individualiteit overschrijden zonder zijn discontinuïteit (la discontinuité) op te geven. In de erotiek, die in wezen een transgressie is, ligt de oplossing. In het liefdesspel wordt de individualiteit van iedere mens op het spel gezet. Zij wordt opgeheven in het erotische samenspel van de eenzame spelers. Daarom wordt wel eens gezegd dat het orgasme ‘la petite mort’ is. Schoonheid maakt het erotisch object nog begeerlijker en maakt de overtreding nog groter. Maar hiermee is er nog geen antwoord gegeven op de uniciteit van het verlangen naar de ander: waarom verschijnt juist die persoon als aantrekkelijkheid uit de grijze stoet.

Een tweede Franse denker die het initiatief a parte objecti situeert, is Baudrillard. Hij stelt in Les stratégies fatales dat enkel het object verleidelijk kan zijn omdat het gekenmerkt wordt door een gemis aan verlangen (erôs). De verleidster weet zeer goed haar object-zijn uit te spelen. Hiervoor schuwt ze zelfs niet de schoonheid van het artificiële. Met behulp van cosmetica ‘tekent’ zij haar lichaam; sommige vrouwen gaan zelfs zover om plastische chirurgie uit te laten voeren. Maar iemand die wil verleiden hoeft niet noodzakelijk over te gaan tot dergelijke drastische maatregelen. De ogen of een stemtimbre kunnen even verleidelijk zijn. Dit is de wereld van de schone schijn (apparence), van de illusies en de simulaties. Het subject kan niet verleiden, maar het kan wel verleid worden door het object dat zich de moeite waard toont. Het object vormt een aantrekkelijke uitdaging die het subject niet kan afslaan.

Is de begeerte (erôs) dan verdwenen uit de aantrekkelijkheid tussen de geslachten? Niet noodzakelijk, want de verleiding wekt de begeerte op om op de uitdaging van het object in te gaan. Wie wil niet datgene wat hem betovert in zijn bezit hebben? Dat erôs geboren wordt uit de verleiding verklaart het mysterie van de seksuele aantrekkelijkheid. Waarom wordt iemand tot een bepaalde persoon aangetrokken? Hij wordt aangetrokken door de lustvolle schijn van het object dat hem verleidt. De wetenschap verduidelijkt wat deze lustvolle schijn kan inhouden. Zo kan bijvoorbeeld iemand verleid worden door de geur of door het uiterlijk. Mooie mensen, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek zijn symmetrisch gebouwd en voldoen aan bepaalde maten. Het hoeft ons niet te verwonderen dat mensen streven om ideale maten te bekomen op welke manier dan ook. De biologie leert ons dat de mens uiteindelijke een naakte aap is en zoals alle dieren reageert op geurstoffen die worden afgescheiden om partners te lokken. Wat nu het precieze doorslaggevende element is dat bepaalt waarom we ons seksueel tot een bepaalde persoon aangetrokken voelen, is uiteindelijk van ondergeschikt belang. De essentie is dat we verleid worden.

Noten

1. Een olieachtige vloeistof die de potvis gebruikt om zijn maag te beschermen tegen graten van de dieren waarmee hij zich voedt.
2. Een rode, gelatine-achtige stof die door het muskushert aan de buikzijde wordt afgescheiden.
3. Een stof die Canadese en Russische bevers gebruiken om hun territorium af te bakenen.
4. Een honingachtige vloeistof die Afrikaanse civetkatten secreteren uit een klierzakje in de geslachtsstreek.

Leave a Reply

Your email address will not be published.