Hebben wij een ziel te verliezen?

Hebben wij een ziel te verliezen?

Over de menselijke geest is de afgelopen duizenden jaren veel en diepzinnig gesproken en geschreven. In de Griekse, Joods-Christelijke en Islamitische traditie is het idee altijd geweest dat er een scheiding is tussen lichaam en geest. Dat als het ware door het inblazen van de geest – in een bepaalde maand van de zwangerschap – het lichaam een mens is geworden en dat bij het overlijden de geest zich weer losmaakt van het lichaam en zijn bestaan verder voortzet in een geestelijke wereld (in de hemel, hel of het paradijs). De geest is in deze gedachtegang onsterfelijk en het lichaam is slechts het stoffelijk omhulsel dat de geest zich tijdelijk heeft aangemeten.
De Griek Empedocles meende dat de geest in het hart van de mens zetelde en 17e eeuwse Franse wiskundige en filosoof Rene Descartes meende dat hij in de pijnappelklier, diep in onze hersenen is gelegen. 
Gek genoeg heeft zich in het oude China nooit dit duale denken over lichaam en geest ontwikkeld. De Chinezen zijn altijd grote realisten geweest. Zij kijken of er voor bepaalde ideeën ook een onderbouwing te vinden is in de waargenomen werkelijkheid. Voor het bestaan van een geest die losstaat van het lichaam is die er niet en de Chinezen hebben zich daarom nooit met dit duale denken beziggehouden.

De duale denkers die geloven in het bestaan van een aparte menselijke geest los van het lichaam, gaan er over het algemeen ook van uit dat de mens ver boven het dier is verheven. Ze duiden onze geest ook wel aan als de “ziel” en zoals mijn Gereformeerde tante zei: “Dieren hebben geen ziel te verliezen” en sneed de nek van haar kip af zodat het bloed over haar handen gutste, waar ik als klein jongetje vol afschuw bij stond te kijken.
De Christenen hadden zich zo een prachtig alibi aangemeten om alles met het dier te doen wat ze wilden (en tot 140 jaar geleden ook met zwarte mensen die niet gekerstend waren: ook die hadden geen ziel te verliezen).
Ondanks deze self-serving ideeën van de gelovigen tonen de wetenschap en het gezonde verstand dat de aanwijzingen voor het bestaan van een aparte menselijke geest of ziel, die losstaat van het lichaam, in feite nihil zijn en slechts gebaseerd op duizenden jaren van wishful thinking. We willen graag dat de mens bijzonder is en we willen graag onsterfelijk zijn, we willen dat onze geest eeuwig leeft en we willen graag vlees eten, zodat het goed uitkomt dat het dier, in tegenstelling tot onszelf, geen ziel te verliezen heeft. Als je naar de feiten kijkt blijft er van dit alles bitter weinig over. Als de geest primair zou zijn en zijn eigenschappen los zouden staan van die van het lichaam, dan zou de geest uiteraard ook je karaktereigenschappen moeten bepalen: of je fijngevoelig bent of grof, vriendelijk of agressief, of je je goed in een andermans situatie kunt verplaatsen of juist over iedereen heen walst. En die eigenschappen van je geest zouden dan onveranderlijk zijn en losstaan van je lichamelijke toestand.
Welnu, de wetenschap heeft de laatste eeuwen duidelijke aanwijzingen gevonden dat wat men de geestelijke eigenschappen van de mens pleegt te noemen helemaal niet losstaan van de lichamelijke en direct gekoppeld zijn aan fysieke processen, met name in de hersenen en dat als er in de hersenen veranderingen optreden, zoals bij een beroerte of een hersenbloeding, waardoor de bloedtoevoer naar een deel van de hersenen permanent wordt afgesneden, ook het karakter drastisch kan veranderen.

Beroemd is ook het geval uit 1848 van Pineas Gage die als voorman bij de aanleg van een spoorlijn in de Verenigde Staten een ijzeren staaf dwars door zijn hoofd geschoten kreeg als gevolg van een verkeerd geplande explosie om rotsblokken te verwijderen. De drie centimeter dikke en een meter lange staaf doorboorde links zijn schedel en kwam er door zijn voorhoofd weer uit en landde 30 meter verder in het veld. Wonderlijk genoeg overleefde Gage het ongeluk, hoewel de staaf ook flink wat hersenweefsel had meegenomen. Hij hervatte zijn werk na een paar maanden, toen de wonden waren genezen. Maar zijn karakter bleek totaal veranderd. Voor het ongeluk was hij bij zijn arbeiders geliefd om zijn tact en geduld, maar na zijn herstel trad hij bot en grof op, duldde geen tegenspraak, vloekte en schold de arbeiders uit. Zijn karakter was totaal veranderd en de spoorwegmaatschappij kon hem niet langer handhaven en ontsloeg hem (1).

Tegenwoordig weet men dat juist in het voorhoofd het deel van de hersenen gelegen is dat zaken als tact en het zich verplaatsen in de situatie van anderen bepaalt. Zelf zie ik wekelijks de situatie van mijn schoonzus die lange tijd dag in dag uit veel te veel gedronken heeft waardoor een deel van haar hersenen verwoest is, waaronder het deel dat ons korte termijn geheugen bepaalt. Haar karakter nu is heel anders dan dat van twintig jaar geleden. Ik kan me niet indenken dat alcohol veel invloed op ene onsterfelijke ziel zou hebben, maar dat deze stof onze hersenen kan verwoesten is bekend. 

Vaak wordt als het unieke van de mens en zijn menselijke geest ook aangehaald dat de mens het enige wezen is dat zich van het bestaan van zijn eigen persoon bewust is (z.g. zelfbewustzijn of zelfreflectie), gevoel voor schoonheid heeft en ook: dat de mens het enige dier is met een vrije wil, die maakt dat hij zelf besluiten neemt, ten goede of ten kwade. Deze zaken zouden de mens als uniek wezen onderscheiden van de andere dieren.
Maar is dat wel waar? Het is bekend dat chimpansees en dolfijnen, als men ze een spiegel voorhoudt, zichzelf herkennen. Een kat of hond meent dat het dier in de spiegel een andere kat of hond is, maar een chimpansee of dolfijn weet, net als een mens, dat hij het zelf is. Zij zijn zich, net als de mens, bewust van hun eigen bestaan. Chimpansees en gorilla’s hebben ook gevoel voor schoonheid. Jane Goodall beschrijft, hoe ze, bij haar onderzoek in het Afrikaanse oerwoud, waarnam dat tegen het vallen van de avond een oude chimpansee zich naar de bosrand begaf waar je de zon mooi kunt zien ondergaan, en hoe hij daar zat te genieten van de prachtige zonsondergang die de lucht rood kleurde en nadat de zon was ondergegaan zich volmaakt tevreden weer terugtrok in het oerwoud.

Wat het nemen van besluiten en de vrije wil betreft: ik zie mijn hond en kat ook voortdurend besluiten nemen. Mijn kat heeft bijvoorbeeld een tijd liggen slapen op de bank maar besluit dan dat hij naar buiten wil. Niet omdat hij een fysieke behoefte moet bevredigen, zoals de dualisten zouden menen, maar omdat hij gewoon zin heeft om lekker buiten te zijn. Ik zie hem denken: “Ik wil eens naar buiten” en buiten gekomen gaat hij lekker in het zonnetje zitten.
Mijn hond idem: hij besluit dat hij spelen wil en zal me daar aan blijven herinneren tot ik minstens een kwartier hiervoor heb uitgetrokken. Ik zie dus onze dieren voortdurend hetzelfde soort besluiten nemen als mensen. De meeste besluiten die mensen nemen zijn net als die van de dieren vrij simpel: ze besluiten de krant te gaan lezen, of dat ze trek hebben in een glaasje wijn, of eens lekker een stuk willen gaan fietsen of nu eens die brief aan hun moeder gaan schrijven.
En wat de vrije wil betreft voor het nemen van grote besluiten: we weten dat ook die buitengewoon beperkt is. De precieze drijfveren van onze daden zijn vrijwel altijd grotendeels onbewust en bepaald door een combinatie van onze genetische aanleg en onze voorgeschiedenis van opvoeding en ervaringen: de bekende combinatie van nature en nurture. Is die combinatie van aanleg en omstandigheden slecht dan weten we dat er een veel grotere kans is dat iemand mislukt in het leven of zelfs een misdadiger wordt en is de combinatie goed dan is de kans groot dat iemand een zeer succesvol leven zal leiden. Die laatste zal dit dan aan zijn of haar voortreffelijke eigenschappen toeschrijven en aan de uitstekende keuzen die hij/zij in zijn/haar leven gemaakt heeft. Maar als je het op de keper beschouwt blijken er meestal geen keuzen te zijn geweest, maar blijkt de een gewoon geluk te hebben gehad en de ander gewoon pech. Als men godsdienstig is zal men zelfs het feit dat het goed gaat toeschrijven aan het voortreffelijke leven dat men geleid heeft waarvoor God ons beloonde, terwijl de pechvogel het aan zijn of haar (vermeende) zonden zal toeschrijven dat alles zo slecht is gegaan in het leven. 

Een verdere gelijkenis tussen mens en dier is dat beiden ook steeds op hun eigen voordeel uit zijn. Ze willen met zo min mogelijk inspanning zoveel mogelijk resultaat (geld, eten, een vrouw) zien te verkrijgen. Dat is zelfs de basis van een gehele wetenschap: die der Economie. Het feit dat dit profijtbeginsel in de economische praktijk zeer goed blijkt te werken toont nog eens hoezeer de mens op het dier lijkt. De mens kent meer trucjes om eigen voordeel te behalen dan alle andere dieren, kan veel beter dan andere dieren zijn handen gebruiken om allerlei gereedschappen te maken en heeft als klap op de vuurpijl communicatie uitgevonden via een taal die veel complexer is dan die van alle andere dieren. 
Het gehele complex van denken en expressie dat van dit alles het gevolg is, tezamen met het “zelfbewustzijn” is men gaan aanduiden als de “menselijke geest”, en in de westerse en islamitische cultuur meende men dat die los zou staan van ons lichaam. 
Dit alles is echter geen kwalitatief verschil ten opzichte van de dieren, maar slechts een kwantitatief verschil: de mens heeft door zijn gebruik van gereedschappen en taal een grote voorsprong verkregen ten opzichte van de andere dieren. Aan dit graduele verschil ten opzichte van de dieren is de mens veel waarde gaan hechten en is hij zich gaan inbeelden iets geheel anders te zijn dan de dieren, ver boven hen verheven, en de bezitter te zijn van een onsterfelijke ziel of geest. Gelukkig hebben de wetenschap en het gezonde verstand deze ballon van menselijke op-de-borst-klopperij thans doorgeprikt. Nu nog zien de gelovigen hiervan te overtuigen!

(1) zie Max Pam: “Het Ravijn”(2004)

Professor Ed van den Heuvel is in het dagelijks leven hoogleraar sterrenkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Leave a Reply

Your email address will not be published.