Maakbaarheid en verval van de Nederlandse universiteiten

Maakbaarheid en verval van de Nederlandse universiteiten

De Nederlandse universiteiten zijn al geruime tijd zo snel in beweging dat het beeld maar moeilijk scherp is te krijgen. Toch is het mogelijk enige helderheid te scheppen door het schijnbaar chaotische proces in een aantal eenvoudiger factoren te ontleden.

De belangrijkste bewegingscomponent is ongetwijfeld het uitdijen door de snelle toename van het aantal studenten, in gang gezet door de uit de late jaren zestig daterende democratisering van het toelatingsbeleid. Dan is er de beweging van het maatschappelijke engagement, aanvankelijk bepaald door het openbreken van de universitaire ivoren toren naar de samenleving in de breedste zin, later gekanaliseerd in de veel beperktere richting van het bedrijfsleven en andere markten van vraag en aanbod.
Deze bewegingen zijn uiteraard gekoppeld: als het aantal studenten toeneemt stijgen de kosten evenredig mee, zodat er gezocht moet worden naar mogelijkheden om te bezuinigen of om andere geldbronnen aan te boren dan alleen de overheid. Daarmee kwam ook nog een derde beweging op gang, en wel het dalen van het niveau van het wetenschappelijke onderwijs en onderzoek. Bezuinigen komt immers altijd neer op verkorting van de studieduur en massificatie van het onderwijs, en de markt is alleen maar geïnteresseerd in onderzoek dat liefst onmiddellijk moet leiden tot praktisch toepasbare en vooral profijtelijke resultaten.

Slechts één van de drie bewegingsrichtingen lijkt voor een kennisland als Nederland ook werkelijk toe te juichen en nastrevenswaardig: de toename van het aantal studenten, omdat daarmee het kennispotentieel beter wordt benut. Van de andere twee is de marktgerichtheid op zijn minst dubieus te noemen, en de verlaging van het niveau zonder meer verwerpelijk. Om deze beweringen nader toe te lichten en verder uit te werken is het nodig ons te verdiepen in de wetenschapsgeschiedenis van de laatste paar eeuwen, want de bedoelde ontwikkelingen zijn recent weliswaar zeer problematisch geworden, maar zeker niet voorbehouden aan onze tijd.

Het vorige fin de siècle kan met recht een tijd met twee gezichten worden genoemd. Aan de ene kant was men er van overtuigd dat de wetenschap, en in het bijzonder de natuurkunde, op het punt stond te worden afgerond. De mechanische wetten van Newton beschreven en voorspelden voortreffelijk het gedrag van de materiële wereld, en de wetten van Maxwell deden hetzelfde met de elektromagnetische straling. Tezamen vormden die wetten het hechte fundament waarop het vrijwel voltooide fysische bouwwerk rustte. Er waren natuurlijk nog wel een paar onbegrepen verschijnselen, maar men vond die van ondergeschikt belang, en de inpassing ervan in de bestaande theorieën zou slechts een kwestie van tijd zijn, zo dacht men. Het verhaal gaat zelfs dat de natuurkundige Lord Kelvin omstreeks 1894 verkondigde dat verdere vooruitgang van de natuurkunde in de twintigste eeuw nog slechts tot uitdrukking zou komen in de zesde decimaal achter de komma.

Daar staat tegenover dat de natuurwetenschap in het Fin de Siècle juist grotere vorderingen maakte dan ooit tevoren. In 1892 was het de wiskundige Henri Poincaré die de aanzet gaf tot de latere chaostheorie. Vervolgens stuitte Max Planck, die nota bene aarzelde om natuurkunde te gaan studeren vanwege het veronderstelde gebrek aan toekomstperspectief, in 1900 precies onbedoeld op de kwantumtheorie. En Albert Einstein formuleerde zijn speciale en algemene relativiteitstheorie in respectievelijk 1905 en 1915. Daarmee was binnen een tijdsbestek van nog geen vijfentwintig jaar een hele nieuwe theoretische basis voor de moderne natuurkunde gelegd.

Maar niet alleen op theoretisch gebied vonden opzienbare ontwikkelingen plaats, ook experimenteel waren de verrassingen niet van de lucht. In 1895 vond Wilhelm Conrad Röntgen bij toeval de later naar hem genoemde X-stralen. Een paar maanden later al, in februari 1896, ontdekte Henri Becquerel ook al toevallig, samen met Marie en Pierre Curie de natuurlijke radioactiviteit. Irene Curie, dochter van Marie en Pierre, en haar echtgenoot Frederic Joliot wisten daar in 1934 de kunstmatige radioactiviteit aan toe te voegen. En Otto Hahn en Lise Meitner kwamen in 1938 geheel toevallig de kernsplitsing op het spoor. Met name dit laatste opende belangwekkende perspectieven, want we stonden immers aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

De voorspoedige gang van zaken vanaf het eind van de vorige eeuw bleef zeker niet beperkt tot de natuurwetenschappen. Ook de geneeskunde maakte snelle vorderingen door de ontwikkeling van de eerste pijnstillers, infectiebestrijders en andere geneesmiddelen, de sociologie raakte in een stroomversnelling door het werk van Emile Durkheim en Max Weber, de psychologie door Freuds psychoanalyse, de cultuurwetenschappen werden meegesleept door de revolutionaire ontwikkelingen op het gebied van de literatuur en de andere kunsten, en Friedrich Nietzsche heeft de filosofie ingrijpend beïnvloed. Maar laten we nu de loop van de geschiedenis van de universiteit even verder volgen.

Ondanks de wetenschappelijke en technologische successen die met name de Tweede Wereldoorlog teweeggebracht – de snelle ontwikkeling van de kernenergie, de computer en de kunststoffen – bevond de universitaire wetenschap zich nog steeds in een betrekkelijk maatschappelijk isolement en werd bij het banen van haar eigen autonome onderzoekspaden voornamelijk gedreven door de nieuwsgierigheid en kennishonger van individuele onderzoekers en studenten.

In die situatie kwam in de jaren zestig en zeventig wezenlijk verandering, toen kritische studenten en onderzoekers genoeg hadden van wat het elitaire navelstaren in een ivoren toren werd genoemd, en de wetenschap in dienst van de samenleving wilden stellen. De wetenschap moest zich om de samenleving bekommeren en zich gaan bezighouden met het oplossen van concrete en actuele maatschappelijke problemen. Daar kwam nog bij dat de universiteit ook toegankelijk moest worden voor studenten uit sociale milieus die traditioneel nauwelijks in de wetenschap vertegenwoordigd waren, zodat ook de sociaal en economisch zwakkere groeperingen uit de samenleving uit hun benarde situatie bevrijd zouden worden en konden delen in de macht en de verantwoordelijkheid die het bezit van wetenschappelijke kennis met zich meebrengt. En om er zeker van te zijn dat die ideeën ook echt zouden worden uitgevoerd werd de universiteit onder druk van demonstraties en bezettingen gedemocratiseerd, wat wil zeggen dat studenten en medewerkers via de toen ingestelde raden medezeggenschap kregen in de universitaire beleids- en besluitvorming.

De vergissing die de kritische studenten daarbij maakten was dezelfde die Karl Marx 120 jaar eerder ook al had gemaakt. Niet alleen ivoren-toren-wetenschap is arrogant en elitair, maar het is ook arrogant en elitair te denken dat er bevolkingsgroepen zijn die zo nodig bevrijd moeten worden: de meeste mensen hebben er meer vrede mee gebukt te gaan onder de macht van een ander dan onder de last van de eigen verantwoordelijkheid. Het gevolg was dat, toen de macht in de vorm van wetenschappelijke kennis in de etalages van wetenschapswinkels werd uitgevent, de mensen waarvoor het bedoeld was het lieten afweten en de bekende gezichten uit overheid en bedrijfsleven vooraan in de rij stonden. En het grote probleem met díe mensen is dat ze wel graag macht willen, maar alleen kunnen denken in termen van politieke, economische en militaire macht, zodat de macht van wetenschappelijke kennis ook in die termen werd vertaald.

Om maar een paar bekende voorbeelden te geven: onze fysische kennis is vertaald in een high tech oorlogsmachine, onze medische kennis in een farmaceutische miljardenindustrie en waar onze genetische kennis binnenkort in vertaald gaat worden dat weet alleen de duivel nog. Zo is het toch nog wetenschap in dienst van de samenleving geworden, alleen is het niet de samenleving die de kritische studenten van toen eigenlijk voor ogen stond.

In ieder geval hebben de veronderstelde noodzaak van kostenbeheersing en de – letterlijke – uitverkoop van wetenschappelijke kennis geleid tot een steeds grotere greep van overheid en bedrijfsleven, als belangrijkste financiers en afnemers, op het reilen en zeilen van het universitaire onderwijs en onderzoek naar vorm en inhoud, en is er een proces op gang gekomen dat Rudy Kousbroek met een geleende dichtregel zo treffend omschreef als de ‘zachte, schunnige verwoesting’.

Het heeft bijvoorbeeld geleid tot een scheiding tussen enerzijds het bestuur en anderzijds het onderwijs en onderzoek, waarbij het geprofessionaliseerde universitaire management zich meer bezighoudt met het besturen van een universiteit dan met het besturen van een universiteit. Dat lijkt misschien slechts een gradueel verschil, maar in werkelijkheid vereist dat een volledige omkering van de visie op de universiteit, waarbij de laboratoria en werkkamers veranderen van creatieve ateliers of broedplaatsten van wetenschappelijke kennis in bedrijfsruimten waar het product kennis wordt gefabriceerd. Dat komt onder meer tot uiting in de aanzienlijke uitbreiding van het op korte termijn economisch profijtelijke onderwijs en onderzoek in opdracht van overheid en bedrijfsleven, waarbij niet de wetenschappelijke kwaliteit voorop staat maar het praktische nut of het winstoogmerk.

Wat het onderzoek betreft is één op de vier hoogleraren tegenwoordig bijzonder hoogleraar en wordt benoemd en betaald door een bedrijf of een instelling. Shell, Philips, Nedlloyd, KLM, Vroom & Dreesman, de farmaceutische bedrijven en Smith’s Snackfood Company, allemaal hebben ze hun eigen leerstoel, als betreft het een skybox in een voetbalstadion.

Wetenschappelijke kennis is omgesmeed tot een product, met input, output, toegevoegde waarde, efficiëncy en rendement, en de universiteit tot een bedrijf, compleet met designmanager en corporate identity, in wezen niet onderscheidbaar van een halvarine- of wasmiddelenfabriek, en men hoort in de gangen en kamers van laboratoria en instituten knarsend taalgebruik als studievoortgangsadministratie, taakverdelingsoperatie en werktijdenregistratiesysteem.
De studie is keer op keer geherprogrammeerd en geherstructureerd, met als uiteindelijk resultaat dat de studiekosten voor de overheid even aanzienlijk zijn gedaald als ze voor de studenten zijn gestegen, dat de studieduur is verkort en de inhoud verschraald, en de kwaliteit van het onderwijs volgens de reclameboodschap van de minister desalniettemin verbeterd. Ook is de laatste lastige tegenkracht, de inspraak van studenten en medewerkers, steeds verder uit de universiteiten gebannen: de universiteitsraden werden ontmanteld en vervangen door raden van toezicht met een sterke vertegenwoordiging van topmanagers uit het bedrijfsleven.

Maar het meest verontrustend is nog dat de universiteit door de gestage uitbreiding van het marktgerichte onderzoek beroofd wordt van haar kritische functie die, zoals Karl Popper ons geleerd heeft, het hart van de wetenschap uitmaakt. Exemplarisch hiervoor is het geval van de fysicus die, als bijzonder hoogleraar in dienst van het bedrijf dat een kernreactor in eigendom heeft, beweerde dat kernreactoren onveiliger zijn dan doorgaans wordt gesuggereerd, waarna hem een publicatieverbod werd opgelegd op straffe van ontslag.
Een ander tekenend geval betreft een geoloog die het door hem aangetoonde verband tussen de aardbevingen in Noord-Holland en de gasboringen van de NAM niet mocht publiceren. En zo zijn er nog vele voorbeelden die te vinden zijn in De onwelkome boodschap van de emeritus hoogleraar André Köbben, die al dit soort gevallen bij elkaar heeft gezet. Tenminste, de gevallen die bekend zijn en mogelijk slechts het topje van de ijsberg vormen, want hoeveel onderzoekers een loopje met de wetenschappelijke integriteit nemen en liever hun mond houden, is uiteraard niet bekend.
In de praktijk gaat het ook lang niet altijd om grove leugens of openlijk bedrog. Meestal wordt de waarheid niet echt geweld aangedaan, maar zachtjes gekneed en gemasseerd in een vorm of richting waarin men die het liefst wil hebben: zijn de resultaten gunstig voor de opdrachtgever dan worden ze gretig geaccepteerd, vallen ze tegen dan wordt er verzocht om een tegenonderzoek.

Om duidelijk te maken dat het hier geen kritiek om de kritiek betreft, maar dat het wel degelijk gaat over een essentiële kwestie, kan gewezen worden op het recente onderzoek van de Franse historicus Alain Renaut naar de gevolgen van het marktgerichte wetenschappelijk onderzoek voor de samenleving als geheel. Rond 1800 werden de Franse universiteiten omgevormd tot Grandes Écoles die zich alleen nog maar bezig mochten houden met concreet maatschappelijk toepasbaar onderzoek. En terwijl het leger van Napoleon in de slag bij Jena in 1806 het Pruisische leger nog verpletterend kon verslaan, waren wetenschap en techniek in Frankrijk binnen 65 jaar zover achtergebleven bij de rest van Europa, dat de Fransen de oorlog met het Duitsland van de Humboldtuniversiteiten – bijvoorbeeld door de betere voeding voor de soldaten en het betere staal van de wapens – in 1870 kansloos verloren.

Dat is niet verwonderlijk, want uit de wetenschapsgeschiedenis blijkt dat vrijwel alle grote ontdekkingen en uitvindingen niet zijn gedaan als resultaat van op overheid en bedrijfsleven gerichte onderzoeksprogramma’s, maar toevallige vondsten zijn die in het breed uitwaaierende onderzoek van de autonome universiteiten aan het licht kwamen. Kennelijk is de wetenschap het creatiefst, het productiefst én het best toepasbaar als het onderzoek zich vrij in tijd en ruimte kan ontwikkelen.

Hoewel dat uit de hiervoor genoemde namen en gegeven voorbeelden niet onmiddellijk blijkt hebben ook Nederlandse onderzoekers een relatief groot aandeel in de natuurwetenschappelijke ontwikkelingen in het Fin de Siècle gehad. In de periode van 1901 tot 1913 werden er maar liefst vijf Nobelprijzen uitgereikt aan Nederlandse schei- en natuurkundigen: Van ‘t Hoff, Lorentz, Zeeman, Van der Waals en Kamerlingh Onnes. De historicus Bastiaan Willink heeft aan dat opvallende verschijnsel een studie gewijd met daarin een twintigtal portretten van vooraanstaande Nederlandse natuurwetenschappers die hun onderzoek deden tussen van 1870 en 1940. Willink noemt deze periode graag de ‘Tweede Gouden Eeuw’ vanwege de treffende overeenkomsten met de culturele, wetenschappelijke en economische bloeiperiode ruim tweehonderd jaar daarvoor, waar Nederlanders zo trots op zijn: Van Gogh en Mondriaan tegenover Rembrandt en Vermeer; Van ‘t Hoff, Zeeman en Lorentz tegenover Huygens en Stevin; Shell, Philips en Unilever tegenover de Oost- en West-Indische Compagnieën.

Maar het gaat Willink niet alleen om de biografieën. Op de overige pagina’s probeert hij te achterhalen wat precies de oorzaken van de wetenschappelijke bloei in het Nederlandse fin de siècle zijn geweest, om daarmee de tegenwoordige wetenschapsbeoefening een nieuwe impuls te kunnen geven. De belangrijkste oorzaak ziet Willink in Thorbeckes wet op het onderwijs van 1863 waarmee werd voorzien in de oprichting van de hbs. Met deze speciaal voor de opkomende burgerlijke klasse bedoelde opleiding met een hoog natuurwetenschappelijk gehalte, werd een rijke bron van nieuw talent aangeboord. Alle onderzoekers die voor een Nobelprijs in aanmerking kwamen hadden daar een aanzienlijk deel van hun wetenschappelijke vorming ondergaan, als leraar of als leerling, waarna ze al op jonge leeftijd een aanstelling als hoogleraar bij de snel uitbreidende universiteiten kregen.

Wat Willink jammer genoeg niet vermeldt is dat de oprichting van de hbs ook op andere gebieden van de cultuur dan de natuurwetenschap belangrijke gevolgen heeft gehad. De hele literaire generatie van de Tachtigers en De Nieuwe Gids – Jacques Perk, Willem Kloos en Albert Verwey – die ‘het geestelijk brandpunt van hun tijd’ werd genoemd, is door hun hbs-leraar, de bevlogen letterkundige en criticus Willem Doorenbos gevormd, zodat deze dichters en schrijvers op het lijstje van Willink nog tegenover Joost van den Vondel en Pieter Corneliszoon Hooft kunnen worden gesteld.

Maar er was nog een andere oorzaak voor de gouden tijden: Thorbecke was door zijn juridische studie in Duitsland goed op de hoogte van de Humboldtuniversiteit en heeft deze visie op academische vorming naar Nederland overgebracht. Hij was ervan overtuigd dat handel en industrie meer baat zouden hebben bij onderzoek dat niet direct op praktische toepasbaarheid is gericht, zoals dat bij de Franse Grandes Ecoles het geval was. In de toelichting op de wet op het hoger onderwijs van 1876 werd dan ook gesteld: ‘De minister heeft te regt het [Duitse] stelsel gekozen, dat ook bij vroegere gelegenheden in de kamer de meeste voorstanders heeft gevonden. Van de invoering van het [Franse] stelsel zou toch algemene verlaging van het wetenschappelijke peil het gevolg zijn; ene verlaging, die op de praktische maatschappelijke belangen zelve, waarvan hier sprake is, allernadeeligst terug zou werken.’ De resultaten van Renauts onderzoek naar de Grandes Ecoles sluiten dus wonderwel aan bij de opvattingen van Thorbecke. In dit licht bezien kunnen we niet anders dan de huidige ontwikkeling van de Nederlandse universiteiten dramatisch noemen en betreuren dat politici en andere beleidsmakers hun vaderlandse geschiedenis niet meer kennen.

Hoe zouden universiteiten en hogescholen waar de hele samenleving, de markt inbegrepen, het meeste plezier van heeft er nu uit moeten zien, als we de voorstaande geschiedenis serieus nemen?

Ten eerste moet het fundamentele onderzoek, en het universitaire onderwijs dat daarvoor opleidt, door politiek en bedrijf zo vrij mogelijk worden gelaten. Toegepast onderzoek moet uiteraard ook worden gedaan, zelfs in veel grotere mate, maar dat hoort thuis bij beroepsopleidingen en bedrijven.

En ten tweede moet het hoger onderwijs in het algemeen zo toegankelijk mogelijk worden gemaakt, om zo het kennispotentieel nog beter te benutten dan nu al het geval is. Beide punten brengen ons uiteraard bij de vraag naar het geld: door wie en hoe moet dat allemaal betaald worden? Hoewel ongeveer het meest gesteld is dat een zeer onterechte vraag in een samenleving die zo’n beetje alles aan de wetenschap te danken heeft. Al onze productie-, transport-, communicatie- en verdedigingssystemen zijn wetenschappelijk ontwikkeld en opgezet; onze gezondheidszorg, onze waterwerken, onze verlichting en verwarming, onze primaire levensbehoeften en onze luxe-artikelen hebben we aan de wetenschap te danken; onze regeringsfunctionarissen worden wetenschappelijk begeleid, net als onze sportbeoefenaars en iedereen daar tussenin.

In één duidelijk beeld gevangen: het verschil tussen Nederland en een Derde Wereldland als Bangladesj, qua rijkdom, gezondheid, welzijn, comfort, veiligheid en prestatievermogen, is de wetenschap. Van iedere euro die er in Nederland wordt verdiend zijn minstens negen dubbeltjes te danken aan de wetenschap, en dat is niet tot stand gekomen door de wetenschap politiek en economisch onder curatele te stellen. Waar dit pleidooi op neerkomt is dat de overheid het fundamentele onderzoek zonder voorafgaande beperkingen zou moeten financieren, en het toegepaste onderzoek is dan een kwestie van een op marktwerking gebaseerde financiering door overheid en bedrijfsleven.

Nemen we tot slot in ogenschouw hoe het er tegenwoordig met de wetenschap voorstaat, dan moeten we vaststellen dat de laatste min of meer fundamentele doorbraken in het natuurwetenschappelijke onderzoek – de ontrafeling van de DNA-structuur door James Watson en Francis Crick (1953), de eerste (Amerikaanse) aanzet tot het internet als gevolg van de lancering van de (Russische) Spoetnik (1957), de ontwikkeling van de chip door Jack Kilby (1958), de introductie van de nanotechnologie door Richard Feynman (1959) en het opstarten van de eerste werkende robijnlaser door Theodore Maiman (1960) – hebben plaatsgevonden in de jaren vijftig van de twintigste eeuw.

Na 1960 is er – afgezien van eventuele aanwijzingen voor het bestaan van supersnelle neutrino’s en Higgsdeeltjes door het in gebruik nemen van de grootste (en ook grootst mogelijke) versneller ooit – weinig interessants meer gebeurd, en het moet beslist te denken geven dat precies toen de universiteit zijn bedrijfsmatige structuur kreeg opgelegd, en het onderzoek via financieringsmodellen maatschappelijk nut en economisch rendement werd opgedrongen.

Dr. André Klukhuhn is spraakmakend cultuurfilosoof, columnist en schrijver en docent aan de interdisciplinaire opleiding Liberal Arts en Sciences aan de Universiteit van Utrecht. Hij is auteur van onder meer De geschiedenis van het denken (2003) en Alle mensen heten Janus (2008).

One thought on “Maakbaarheid en verval van de Nederlandse universiteiten”

  • URL says:

    … [Trackback]

    […] There you will find 83634 more Infos: ziedaar.nl/editie-27/maakbaarheid-en-verval-van-de-nederlandse-universiteiten/ […]

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *