Omgekeerde wereld

Post-apartheid en Disgrace van J.M. Coetzee

Omgekeerde wereld

Post-apartheid en Disgrace van J.M. Coetzee

Inleiding

In februari 1990 werden in Zuid-Afrika Nelson Mandela en andere politieke gevangenen vrijgelaten en het verbod op zwarte politieke organisaties, zoals het ANC, werd opgeheven. Vier jaar later luidde de overwinning van het ANC in de allereerste officiële democratische verkiezingen het werkelijke einde van de apartheid in. Maar zoals Grant Farred constateert in zijn artikel “The Not-Yet Counterpartisan: A New Politics of Oppositionality” (2004) was de euforie van de antiapartheid triomf slechts tijdelijk en toen de verwachte verdeling van sociale en economische goederen uitbleef, bleek dat de maatschappij helemaal niet zo veel veranderd was. Het onderscheid tussen zwart en blank is sinds de postapartheid verworden tot het onderscheid tussen rijk en arm (zie ook Lindegaard, 2005 in deze editie). De apartheidsperiode heeft een onuitwisbare invloed op het heden. Volgens Farred is de politiek van nu die van een partizaan, een guerrillastrijder: De Mbeki regering ziet alleen tegenstanders en voorstanders van het ANC, er is geen middenweg. Daarom zorgde de Nobelprijs voor Literatuur die J.M. Coetzee in 2003 kreeg voor zoveel commotie binnen de regering. Coetzee is namelijk de auteur van Disgrace (1999), waarin het nieuwe heersende bestel wordt bekritiseerd en waarschijnlijk daarom door het ANC in 2000 werd voorgedragen aan de Human Rights Commission als een voorbeeld van racisme in de media, aldus Farred. De problematiek van het heden en verleden van Zuid-Afrika vindt zijn neerslag in culturele producten. Een boek als Disgrace kan alleen literair worden geïnterpreteerd via een interdisciplinaire benadering met behulp van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis die wordt gedomineerd door rassentheorieën en discriminatie.

Eerst zal ik echter kort iets vertellen over John Maxwell Coetzee. Deze blanke Zuid-Afrikaanse schrijver werd geboren in 1940 in Kaapstad, waar hij wiskunde en Engels studeerde. Hij werkte in Groot-Brittannie, studeerde en doceerde Engels en literatuur in de Verenigde Staten en keerde uiteindelijk terug in Kaapstad, waar hij in 1984 werd aangesteld als hoogleraar Engels. Na zijn pensioen in 2002 verhuisde hij naar Adelaide in Australië, waar hij een ere-aanstelling kreeg als onderzoeker aan de University of Adelaide. Hij is sinds 2002 eveneens professor aan de University of Chigago. Coetzee schreef diverse romans, won tweemaal een Booker Prize en kreeg in 2003 de Nobelprijs voor Literatuur.

Cruciaal voor het verhaal van Disgrace zijn de seksuele affaire van professor David Lurie met de gekleurde studente Melanie Isaacs en de verkrachting van David’s dochter Lucy door drie zwarten. Door deze twee gebeurtenissen nader te bekijken onderzoek ik welke invloed de periode van apartheid in Zuid-Afrika heeft op de wereld in Disgrace

Affaire

Melanie Isaacs is in haar relatie met David zeer passief. Alles lijkt haar te overkomen, alsof ze slechts de rol speelt die David haar geeft. Hun werelden staan zo ver van elkaar af dat hij haar niet kan begrijpen en haar voornamelijk beschrijft als een beeld, waardoor ze niet meer lijkt te zijn dan mooi, jong en passief; een stilstaande entiteit.

In Colonial Desire; Hybridity in Theory, Culture and Race (1995) parafraseert Robert Young theorieën van Gobineau. Hij stelt dat mensen zich laten leiden door afkeer aan de ene kant en verlangen aan de andere kant. De geciviliseerde blanke man voelt echter van nature meer verlangen, omdat hij zijn ‘beschaving’ zou moeten verspreiden. Gekleurde rassen hebben deze drang volgens Gobineau nauwelijks, aangezien ze ‘wild’ zijn en dus geen beschaving hoeven of kunnen voortbrengen, zoals de blanke. Zij voelen een grotere seksuele afkeer voor de blanken, dan de blanken voor hen.

“Responsibility for the mixing of blood lies with the white race, because it is they who are sexually attracted towards other races, while otherwise the spirit of repulsion keeps the yellow and black races in their state of isolation beyond the pale of civilization.” (108)

In de seksuele relatie van de blanke man met de onderworpen zwarte vrouw heeft de blanke man de macht. Door het verkrachten van zijn slavin, de zwarte vrouw, verspreidt hij de ‘beschaving’, maar tegelijkertijd zorgt dit voor rassenvermenging en zo vindt er bij deze verspreiding ook degeneratie plaats, waardoor de beschaving door miscegenation uiteindelijk ten onder zal gaan. Aldus Gobineau, die deze interraciale seksuele relatie doortrekt naar de algemene relatie tussen rassen, waarbij de blanken als mannelijk, dominant ras worden beschouwd en de gekleurde rassen als vrouwelijk en onderworpen worden gekarakteriseerd.

David is de ‘blanke man’, de meester, die zijn slaaf aan zijn wil onderwerpt en zijn seksuele behoeftes aan haar opdringt. De eerste keer dat hij seks heeft met Melanie, kan bijna een verkrachting worden genoemd, ook al zal deze gebeurtenis vanuit Davids perspectief nooit zo worden geduid. Verschillende woorden in deze passage wijzen er op dat het hier in ieder geval gaat om seksuele intimidatie; ik cursiveer deze woorden in het volgende citaat: 

“She is too surprised to resist the intruder who thrusts himself upon her. (…) All she does is avert herself: avert her lips, avert her eyes. (…) Not rape, not quite that, but undesired nevertheless, undesired to the core. As though she had decided to go slack, die within herself for the duration.” (Coetzee 24-5)

David beeldt zich in dat Melanie hem van zich afwast, nadat hij haar huis heeft verlaten, bovendien probeert hij voor zichzelf te benadrukken dat het toch niet echt verkrachting was, zie bovenstaand citaat. Dit wijst erop dat David weet dat hij ergens fout zit. Bovendien is David zich er constant bewust van dat Melanie veel jonger is dan hij, merkt Sue Kossew op in haar artikel “The politics of Shame and Redemption in J. M. Coetzee’s Disgrace” (2003). Hij weet dat ze te jong is en dat hij verkeerd bezig is, maar toch…: “A child, he thinks. No more than a child! What am I doing? Yet his heart lurches with desire” (Coetzee 20). Ook de positie van David als leraar en die van Melanie als studente benadrukt de ongelijkheid van hun relatie (Kossew 158-9). Ondanks de afkeer die David voelt voor zijn eigen gedrag, overwint zijn verlangen steeds weer, net als bij de blanke man van Gobineau. De relatie tussen David en Melanie is een afspiegeling van de aloude verhouding tussen de blanke mannelijke kolonist en de zwarte gekoloniseerde vrouw: hij begint de verhouding, zij laat het gebeuren en schikt zich in de situatie. Aanvankelijk in ieder geval. 

David voelt een enorm verlangen naar donkere vrouwen: hij kiest voor exotische hoeren, zoals Soraya, en begint een affaire met de gekleurde studente Melanie. Zijn begeerte drijft hem tot miscegenation. Gobineau voorspelt de degeneratie van het blanke ras na miscegenation. Er wordt nooit direct verteld dat Melanie daadwerkelijk zwart is, maar veel wijst wel in die richting. Zo spreekt Davids ex-vrouw Rosalind als volgt over Melanie: “Big, dark eyes. Cunning little weasel body. Just your type” (Coetzee 189). Bovendien noemt David haar in zijn gedachten “Meláni: the dark one” (18). Uit de affaire van David met Melanie volgt de persoonlijke degeneratie van David. Nadat de affaire aan het licht gekomen is, wordt hij onder meer door zijn eigen hoogmoed gedwongen ontslag te nemen, waarna hij bij zijn dochter Lucy op het platteland gaat wonen.

David is de blanke patriarch die nog vastzit in het apartheidsverleden van Zuid-Afrika; de affaire die hij met Melanie Isaacs heeft past niet in de tijd en daarom wordt David afgestraft. Wanneer David verschijnt voor de universitaire commissie die zijn zaak behandelt, gedraagt hij zich dwars. Hij wil zich niet laten helpen en provoceert de universitaire commissie door schuld te bekennen en te zeggen dat hij “a servant of Eros” (52) werd toen hij Melanie ontmoette, terwijl de universitaire commissie juist wil dat hij zijn fout toegeeft en het boetekleed aantrekt. In haar artikel “Nadine Gordimer, J.M. Coetzee, and Andre Brink: Guilt, Expiation, and the Reconciliation Process in Post-Apartheid South Africa” (2002) trekt Isidore Diala een parallel tussen de commissie waarvoor David Lurie moet verschijnen en de Truth and Reconciliation Commision (57). Deze commissie die in Zuid-Afrika werd opgezet na de val van het apartheidsregime, moest zorgen voor de verzoening van de verschillende rassen. Na het horen van publieke getuigenissen over overtredingen van mensenrechten tijdens de periode van apartheid zorgde deze commissie voor schadeloosstellingen aan de slachtoffers en amnestie voor de daders. Zo zocht deze commissie naar een nieuwe moraliteit (Atwell 2). Maar dit project had zijn nadelen:

“For one thing, it makes no provision for natural justice; forgiveness in the name of peace has been elevated above justice in the name of principle. For the good of the nation, victims have often been obliged to accept a moral and material settlement that is less than satisfactory.” (2)

David Lurie, die geen berouw voelt, weigert berouw te tonen ook al krijgt hij de verzekering dat hij zichzelf dan kan redden uit de precaire positie waarin hij zich bevindt. Dit stuk uit Disgrace lijkt een directe aanval te zijn op de hierboven besproken Truth and Reconciliation Commision, die eigenlijk elke dader die een geloofwaardige bekentenis vol berouw aflegde, gemeend of niet, amnestie kon verlenen en dat ook vaak deed. De commissie die David Lurie’s zaak behandelt gaat uit van dezelfde principes en op het moment dat David door schuld te bekennen ‘forgiveness in the name of peace’ afwijst, wordt duidelijk dat hij niet wenst te redeneren volgens de moraal van het heden en blijft hangen in het verleden.

In de tweede noot van zijn artikel “That “Ugly Word”: Miscegenation and the Novel in Preapartheid South Africa” parafraseert Peter Blair opmerkingen van Coetzee in het artikel The mind of apartheid: Geoffrey Cronjé (1907-). Volgens Coetzee kwam apartheid niet alleen voort uit egoïsme en gierigheid, maar ook “out of desire and out of the hatred of desire”. Hij stelt dat de apartheid zich gedeeltelijk ontwikkelde als een verzet tegen de begeerte voor het ‘andere’ ras en dat de apartheidsgedachte dus niet een bepaalde manier van denken is, maar een uiting van passie. David ziet zichzelf als “a lover of women, and, to an extent a womanizer” (8). Alles wijst erop dat David wordt gedreven door begeerte, een gevoel dat met elke andere gedachte die hij heeft interfereert. Dit wijst erop dat hij nog altijd vastzit in het apartheidsverleden van Zuid-Afrika. Nu het verzet tegen de begeerte met de apartheid verdwenen is, kan hij zijn verlangen naar donkere vrouwen de vrije loop laten, wat resulteert in zijn eigen ondergang. De tijd van de intellectuele blanke patriarch is voorbij, de tijd van apartheid is voorbij: zijn tijd is voorbij. Met Soraya lukt het hem nog om de schijn op te houden en het verleden te laten voortduren; zijn relatie met haar is als de relatie van een blanke meester met zijn slavin; hij praat, zij luistert. Maar deze relatie wordt abrupt verbroken en hierna kan David eigenlijk geen bevrediging meer vinden. 

Verkrachting

David Lurie redeneert nog altijd volgens koloniale inzichten en ziet de opkomst van de zwarten in de politiek van Zuid-Afrika als de wedergeboorte van chaos. Hij voelt zich opgejaagd door het heersende instinctieve idee dat er een zuivering moet plaatsvinden van het beladen verleden en dat opoffering de primaire conditie is om te kunnen leven in het nieuwe Zuid-Afrika, aldus Isidore Diala (59). Dit is waarschijnlijk de reden dat David zijn dochters gedrag niet kan begrijpen, vooral niet na haar verkrachting. Michael Marais ziet een parallel tussen de verkrachting van Lucy en de affaire van David met Melanie: 

“As in the earlier scene, Lucy is “surprised” by “intruders” (24). (…) like Isaacs, she tries to cleanse herself of the violation (97-98). Most importantly, though, there is a clear link between Lurie’s loss of Isaacs after his failure to possess her and his estrangement from his daughter following her rape by the three intruders.” (175)

Marais trekt de conclusie dat de twee scènes aan elkaar gelijk zijn. David heeft zelf deelgenomen aan het machtsspel in zijn affaire met Melanie Isaacs, van wier kwetsbare positie als gekleurde studente hij misbruik heeft gemaakt, zoals dat in koloniale tijden gebeurde tussen meester en slavin. De drie indringers spelen mee in een vergelijkbaar machtsspel; nu is het de blanke vrouw die wordt onderworpen en aangerand. David heeft dus deelgenomen aan hetzelfde machtsvertoon als de door hem zo verachte verkrachters van zijn dochter.

Behalve dat David de zwarte vrouw niet anders kan zien dan als seksobject, lijkt het alsof hij de zwarte man alleen kan zien als uitschot of als de gehoorzame vriendelijke trouwe slaaf, een slachtoffer van de apartheid. Als zodanig probeert hij Petrus, de zwarte boer wiens land aan dat van Lucy grenst, dan ook te categoriseren. Wanneer David met hem samen moet werken op de markt, denkt hij er aan hoe het vroeger zou zijn geweest als hij met Petrus op de markt had gezeten: “Just like the old days: baas en Klaas. Except that he does not presume to give Petrus orders (Coetzee 116).” Later bedenkt hij zich dat hij Petrus misschien zelfs aardig zou kunnen gaan vinden. 

Maar wanneer hij gaat vermoeden dat Petrus de overval en de verkrachting van Lucy misschien heeft laten uitvoeren om er zelf beter van te worden, gaat hij Petrus haten. Hij realiseert zich dat hij in tegenstelling tot Petrus geen enkele macht heeft in de sociale context van het platteland. Langzamerhand begrijpt David ook dat hij niet langer een rol van betekenis kan spelen in het machtsspel. Hij moet zich erbij neerleggen dat hij de verkrachters van zijn dochters niet kan straffen en dat zijn dochter zijn adviezen niet opvolgt; hij is te oud en heeft geen macht meer als blanke patriarch. Hij leert de moed op te geven, wat op een schrijnende manier verbeeld wordt in de laatste scène, waarin hij zijn lievelingshond toch naar de ‘slachtbank’ brengt:

“Bearing him in his arms like lamb, he re-enters, the surgery. “I thought you would save him for another week,” says Bev Shaw. “Are you giving him up?” “Yes, I am giving him up.”” (220)

Vóór de verkrachting van Lucy is de relatie tussen vader en dochter nog redelijk. Voor David representeren de overval en de verkrachting echter een terugkeer naar tijden ver voor de apartheid, toen de weinige blanke kolonisten werden overvallen door inboorlingen; een nachtmerrie uit het verre verleden die nu weer realiteit is geworden.
Lucy ziet de verkrachting echter als een vergelding voor het apartheidsverleden; wat haar vooral treft is de pure haat die de verkrachters jegens haar voelen. Die haat maakt een enorme indruk op haar:

“‘It was so personal,’ she says. ‘It was done with such personal hatred. That was what stunned me more than anything. The rest was… expected. But why did they hate me so? I had never set eyes on them.'” (156)

Zij noemt haar verkrachters “debt collectors” (158). Zij accepteert dat zij als individu de haat jegens het blanke ras zal moeten verdragen en offert zich zo als het ware op; ze lijkt boete te willen doen voor de misdaden van de blanken in het verleden.

Omkering

De verkrachting van Lucy is een uiting van haat, maar het is ook een soort imitatie. Net als de blanke kolonist ooit de inboorlingen onderwierp, zo onderwerpen de overvallers nu David en Lucy. De verkrachting is een imitatie van de affaires die de blanke man met zijn slavinnen had, zoals David met Melanie. Maar de imitatie is niet volmaakt; het gaat er nu bruter aan toe, wilder. Haat is de drijfveer; de drie verkrachters zoeken wraak en vergelding.

Ook Lucy’s gedrag is uit te leggen als een imitatie. Naarmate het verhaal vordert, schikt ze zicht steeds meer in de rol die Petrus waarschijnlijk al lange tijd voor haar in gedachte had. De verkrachting en de noodlottige gevolgen brengen in dit proces een enorme versnelling. Ze wordt net zoals de vrouwen van Petrus: zwijgzaam, gehoorzaam en zwanger. De oude koloniale rollen lijken te zijn omgekeerd. Lucy wordt nu Petrus’ eigendom, zijn slavin. Hij bepaalt haar doen en laten, haar lot. 

David ziet dit voor zijn ogen gebeuren en doet herhaaldelijk pogingen dit proces stop te zetten, maar tevergeefs; hij kan zijn dochter niet afbrengen van haar intentie om zich op te offeren voor het nieuwe Zuid-Afrika. Aanvankelijk wil Lucy niet praten over de verkrachting, ze doet er ook geen aangifte van, tot grote ontsteltenis van David. Hij blijft haar vragen waarom ze niet vertelt wat er gebeurd is, maar Lucy laat weinig los. Dit is het platteland van Zuid-Afrika en Lucy realiseert zich dat zij, als zij daar wil blijven wonen en overleven, een verkrachting en misschien nog meer vernederingen zal moeten kunnen verdragen. Als je niets hebt en ook niets verwacht, kan het immers niet slechter worden dan het is. Nederig leven is volgens Lucy de beste oplossing: 

“‘Yes, I agree, it is humiliating. But perhaps that is a good point to start from again. Perhaps that is what I must learn to accept. To start at ground level. With nothing. Not with nothing but. With nothing. No cards, no weapons, no property, no rights, no dignity.’ ‘Like a dog.’ ‘Yes like a dog.'” (205)

Deze vergelijking is niet toevallig. Lucy accepteert als het ware eenzelfde leven als dat van de honden in Bev’s kliniek. Zij heeft, net als de honden die onbewust op hun dood zitten te wachten, haar leven niet langer in eigen hand en wacht rustig af op haar eigen ondergang. 

In de laatste scène van Disgrace geeft David het leven van zijn lievelingshond op; dit staat symbool voor het feit dat hij niet langer tracht het leven van zijn dochter te manipuleren, hij probeert haar net als de hond niet langer te beschermen tegen hun onvermijdelijk lot.

Conclusie

De periode van de apartheid heeft een onuitwisbare stempel op Zuid-Afrika gedrukt, dit komt duidelijk naar voren in Disgrace van J.M. Coetzee. De problematiek van miscegenation speelt een belangrijke rol en is in Disgrace het centrale thema. De twee belangrijkste gebeurtenissen en de gevolgen hiervan staan spiegelbeeldig tegenover elkaar. De affaire van David en Melanie verbeeldt het verleden, waarin de blanke patriarch zijn slavin tot seks dwong. Hier tegenover staat de verkrachting van Lucy en de ontwikkelingen daarna. Lucy wordt langzaam maar zeker ondergeschikt aan Petrus; dit is de realiteit van het heden, namelijk Zuid-Afrika na de val van het apartheids regime. Deze verschuiving van macht van blank naar zwart voltrekt zich eerder op het platteland dan in de stad, maar langzamerhand zal deze omkering ook in de steden in werking treden. Mannen als Petrus zullen de dienst uit gaan maken in het nieuwe Zuid-Afrika. De breuk die heeft plaats gevonden met het einde van de apartheid, laat de blanke mannelijke intellectueel achter in een niemandsland, waarin het moeilijk is om zijn mentaliteit aan te passen aan de nieuwe orde.

Noten en/of literatuur

Ashcroft Bill, Gareth Griffiths and Helen Tiffin. “Mimicry,” PostColonial Studies: The Key Concepts. London and New York: Routledge, 2000. 139-142.

Atwell, David and Barbara Harlow. “Introduction: South African Fiction after Apartheid.” Modern Fiction Studies 46.1 (2000): 1-9.

Blair, Peter. “That “Ugly Word”: Miscegenation and the Novel in Preapartheid South Africa.” Modern Fiction Studies 49.3 (2003): 581-613.

Coetzee, J. M. Disgrace. London: Vintage, 2000.

Diala, Isidore. “Nadine Gordimer, J.M. Coetzee, and Andre Brink: Guilt, Expiation, and the Reconciliation Process in Post-Apartheid South Africa.” Journal of Modern Literature 25.2 (2001-2002): 50-68.

Farred, Grant. “The Not-yet Counterpartisan: A New Politics of Opositionality.” The South Atlantic Quarterly 103.4 (2004): 589-605.

Kochin, Michael S. “Postmetaphysical Literature: Reflections on J.M. Coetzee’s Disgrace.” 30 juli 2002. 18 jan 2005.http://apsaproceedings.cup.org/Site/papers/041/041006KochinMich.pdf

Kossew, Sue. “The Politics of Shame and Redemption in J.M. Coetzee’s Disgrace.” Research in African Literatures 34.2 (2003): 155-62.

Marais, Michael. “”Little Enough, Less Than Little: Nothing”: Ethics, Engagement, and Change in the Fiction of J.M. Coetzee.” Modern Fiction Studies 46.1 (2000): 159-82.

Young, Robert J.C. Colonial Desire: Hybridity in Theory, Culture, and Race. London: Routledge, 1995. 90-109, 142-150.

Wikipedia
http://nl.wikipedia.org/wiki/John_Maxwell_Coetzee

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *