Samen sterk tegen corona, samen sterk voor duurzame energie

Een interdisciplinaire aanpak van de energietransitie in onzekere tijden

Samen sterk tegen corona, samen sterk voor duurzame energie

Een interdisciplinaire aanpak van de energietransitie in onzekere tijden

De Covid-19 crisis en de existentiële vragen die daarmee samenhangen, overschaduwen de discussie over de vergroening van de economie en de energietransitie. Maar daarmee is de uitdaging van de vergroening en energietransitie niet verdwenen, noch de discussie daarover. Die discussie was en is onoverzichtelijk en chaotisch. Het appel aan de samenleving zich bewust te zijn van de schade die het conventionele energiesysteem toebrengt aan leefomgeving en klimaat heeft vaak een alarmistische ondertoon. Daarnaast is de variëteit in mogelijke oplossingen inmiddels zo groot, in soorten technologie en schaal, van windmolenparken via gasvrije wijken tot warmtepompen in huishoudens, dat de samenleving in verwarring is geraakt. Mensen zien door de bomen het bos niet meer en zijn onzeker over wat dit voor hen financieel betekent.

Bij het uitbreken van de Covid-19 crisis hebben mensen hun aandacht noodgedwongen moeten verleggen naar nieuwe vragen en problemen. De vergroening, de energietransitie en het denken daarover hebben zo minder prioriteit gekregen. Hervatting van de discussie over duurzame ontwikkeling op de wijze zoals hierboven geschetst is riskant en kan juist de weerzin in de samenleving voeden om mee te doen met de energietransitie. Daarom bevat dit artikel een pleidooi voor een interdisciplinaire aanpak van de energietransitie. Dat bevordert het rationeel afwegen en introduceren van goede, effectieve en maatschappelijk aanvaardbare maatregelen. Zo’n aanpak biedt kansen om de energietransitie in te zetten om de weerbaarheid van de samenleving te herstellen en zo houvast te geven in onzekere tijden.

 

De basis: multidisciplinaire omgang met energie

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat mensen ook tijdens en na de Covid-19 crisis erop kunnen blijven vertrouwen dat een hoogwaardige energievoorziening in stand blijft voor iedereen? Dat vertrouwen begint met te onderkennen dat energie een gemeenschappelijk goed (een common-pool resource) is. Een gemeenschappelijk goed heeft twee kenmerken. Het eerste kenmerk is, dat het uitsluiten van mensen om van dat goed gebruik te maken maatschappelijk onaanvaardbaar is. Iedereen moet in staat worden gesteld energie af te nemen, onder acceptabele voorwaarden en ongeacht iemands persoonlijke omstandigheden en woonlocatie. Het tweede kenmerk houdt in, dat het gebruik van het goed door de een ten koste gaat van de mogelijkheid van de ander om van het goed gebruik te maken. Wanneer een visser vis vangt gaat dat in mindering van de hoeveelheid vis die beschikbaar is voor een andere visser om te vangen. Een dergelijk mechanisme is ook van toepassing op energie, vooral ook omdat er technische middelen nodig zijn om energie te ontsluiten in een vorm die voor energieconsumenten bruikbaar is (zoals bij elektriciteit: 230V, 50Hz wisselspanning).

Omdat energie een gemeenschappelijk goed is, is het van maatschappelijk belang, zeker ook tijdens en na de Covid-19 crisis, dat iedereen toegang behoudt tot het gebruik van energie onder acceptabele (financiële) voorwaarden en dat er voldoende energie beschikbaar is om in eenieders vraag te voorzien. Zolang er nog voldoende energie is uit fossiele bronnen voldoet de huidige energievoorziening aan deze uitgangspunten. Maar dat is nu niet het geval voor energie die afkomstig is van hernieuwbare bronnen (schone, zichzelf aanvullende energie zoals zon, wind, bodemwarmte en waterkracht). In Nederland zijn we vooralsnog niet verder gekomen dan dat zo’n 10% van de energiebehoefte is gedekt met hernieuwbare energie. Er is dus schaarste aan hernieuwbare energie en nog niet iedereen heeft toegang tot het gebruik ervan. Het opheffen van schaarste en het borgen van toegang voor iedereen zijn voorwaarden om mensen te bewegen mee te doen met de energietransitie.

De omgang met hernieuwbare energie als een gemeenschappelijk goed vereist een tweeledig multidisciplinaire inzet van partijen in de samenleving. Om te beginnen gaat het om het borgen van toegang tot hernieuwbare energie voor iedereen. Dat is een zaak van vooral de politiek en het openbaar bestuur. Zij kunnen die zekerheid op toegang voor iedereen garanderen, zo nodig met wet- en regelgeving. Daarnaast gaat het om met technische systemen ontsluiten van voldoende hoeveelheden hernieuwbare energie, door deze op te wekken (zonnepanelen), op te slaan (batterijen) en te distribueren via energienetten naar de consument. Hiervoor zijn private partijen het beste toegerust: projectontwikkelaars, bouwers, financiers en energiedienstverleners. Er zijn derhalve twee disciplinelijnen te onderscheiden, die van de bestuurders voor het borgen van toegang tot hernieuwbare energie en die van de ontwikkelaars voor het ontsluiten van hernieuwbare energie. Beide zijn nodig om de samenleving het vertrouwen te geven dat een hoogwaardige energievoorziening in stand blijft voor iedereen, ook met hernieuwbare energie.

 

Naar een interdisciplinaire inzet met een gezamenlijke ambitie

De verdeling van disciplines over de bestuurslijn (voor borgen van toegang) en de ontwikkellijn (voor opwekken, opslag en distributie) suggereert dat er sprake zou zijn van twee werelden van disciplines die los van elkaar opereren. Dat is op het eerste gezicht ook zichtbaar in de praktijk. Politiek en openbaar bestuur enerzijds en ontwikkelaars anderzijds hebben hun eigen ontwerp- en besluitvormingsprocessen. Sporadisch zoeken ze elkaar op, bijvoorbeeld bij het afstemmen over de effectiviteit van voorgenomen wet- en regelgeving en bij toetsing door toezichthouders (veiligheid) en vergunningverleners (ruimtelijke ordening) van het ontwerp van een energiesysteem. Er is zo sprake van een multidisciplinaire aanpak. Maar als we de samenleving vertrouwen willen geven door hernieuwbare energie te beschouwen als een gemeenschappelijk goed en er zo ook mee willen omgaan, is het de vraag of die multidisciplinaire aanpak wel voldoende en adequaat is.

Er zijn veel overeenkomsten in de aanpak van de bestuurslijn en de ontwikkellijn. Zo heeft een visie over het borgen van toegang tot hernieuwbare energie dezelfde rol als een missie voor het ontwikkelen van de ontsluiting van hernieuwbare energie. Ze vormen het uitgangspunt voor respectievelijk beleidsmaatregelen voor toegang en systeemontwerp voor het ontsluiten van hernieuwbare energie. Dit uitgangspunt vraagt om regelmatige samenwerking en afstemming tussen de bestuurslijn en de ontwikkellijn, door de verschillende projectfasen heen. Dan is er geen sprake meer van naast elkaar werkende disciplines (multidisciplinariteit), maar van met elkaar in interactie verkerende disciplines (interdisciplinariteit). Disciplines in de bestuurslijn en in de ontwikkellijn zouden zo veel meer met elkaar kunnen samenwerken dan ze nu doen, al is het maar om de energietransitie tot een goed en maatschappelijk aanvaardbaar einde te brengen.

Toch ligt het niet direct voor de hand dat interdisciplinaire omgang met hernieuwbare energie daadwerkelijk plaats zal vinden. Daarvoor is het nodig mensen in de verschillende disciplinelijnen aan te sporen over hun grenzen heen te kijken en meer met elkaar samen te laten werken. Dat kan aan de hand van een door iedereen begrepen en erkende gezamenlijke ambitie. Die ambitie brengt de visie voor toegang in de bestuurslijn en de missie voor ontsluiten in de ontwikkellijn met elkaar samen. Zij komt tot uiting in twee indicatoren. De eerste is dat oplossingen met hernieuwbare energie in principe rendabel moeten zijn. Het voorzien in eenieders vraag naar hernieuwbare energie gaat om zulke grote hoeveelheden energie, dat ontsluiting, opslag en distributie ervan praktisch alleen kan plaatsvinden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten en uiteindelijk met minimale ondersteuning van, bijvoorbeeld, subsidies.

De tweede indicator is de maatschappelijke meerwaarde van een oplossing. Een rendabele voorziening met hernieuwbare energie is aantrekkelijk, maar niet als het benutten van die energie door technische beperkingen of selectie van afnemers exclusief is voorbehouden aan een selecte groep partijen en individuen. Een windmolenpark, bijvoorbeeld, dat energie levert aan abstracte entiteiten zoals het energienet of exclusief aan individuele bedrijven en personen, draagt weliswaar bij aan de reductie van schaarste in hernieuwbare energie, maar heeft slechts een beperkte maatschappelijke meerwaarde. Die twee indicatoren, rendabele opbrengst en maatschappelijke meerwaarde, vormen samen het begrip ‘publieke waarde’. Publieke waarde is de concrete uitwerking van de gezamenlijke ambitie en vormt zo voor iedereen de leidraad in de aansturing van de activiteiten van de verschillende disciplines.

 

Publieke waarde als baken voor iedereen in onzekere tijden

Publieke waarde is het anker voor de interdisciplinaire inzet in de bestuurslijn voor toegang tot hernieuwbare energie en in de ontwikkellijn voor ontsluiten van hernieuwbare energie. Het is ook het baken waarop alle betrokkenen zich kunnen richten en waaraan de samenleving vertrouwen kan ontlenen op een goede en maatschappelijk aanvaardbare energietransitie, vooral nu zij zich door de Covid-19 crisis verzwakt en onzeker voelt. Evaluatie van projecten met hernieuwbare energie aan de hand van de beoogde publieke waarde laat zien dat mogelijkheden en beperkingen in de praktijk van interdisciplinair werken goed in beeld kunnen worden gebracht. Deze manier van evaluatie van projecten met hernieuwbare energie uit het verleden (ex-post) zou ook kunnen worden toegepast in de aansturing van bestaande of nieuwe projecten (ex-ante). Het zich verbinden aan een gezamenlijk overeengekomen doel voor rentabiliteit en maatschappelijke meerwaarde geeft ruimte aan de ontwerpvrijheid en de creativiteit van alle betrokken partijen, in alle betrokken disciplines, om te voorzien in de behoefte van de samenleving. Overheden kunnen hierbij een vooraanstaande initiërende en regisserende rol vervullen. Het is de moeite waard om met deze werkwijze ervaring op te doen in bestaande of nieuwe projecten voor hernieuwbare energie als een gemeenschappelijk goed. Dat zal mensen vertrouwen geven en het draagvlak voor de energietransitie en hoe deze uitpakt voor henzelf kunnen vergroten. Zo kunnen we met succes verder gaan met de vernieuwing en verduurzaming van de energievoorziening, al verkeren we in onzekere tijden.

 

Dit artikel is gebaseerd op het proefschrift ‘Hernieuwbare energie voor iedereen’ over hoe bestuurders en ontwikkelaars kunnen sturen op publieke waarde in duurzame ontwikkeling en transities (Beek, Frans A. van; 2019). De theorie in dit proefschrift bouwt voort op onder meer de goederenindeling van Elinor Ostrom en op haar Institutional Analysis and Development Framework, op het werk aan Public Value van Mark Moore en anderen en op het gedachtegoed van Collaborative Governance.

Frans van Beek (1959) heeft Civiele Techniek gestudeerd aan de TU Delft. In zijn loopbaan is hij werkzaam geweest in verschillende soorten organisaties: het Waterloopkundig Laboratorium, Fokker Space BV en Railinfrabeheer. 2002 was de start van een aantal functies bij de Rijksoverheid, onder meer bij Rijkswaterstaat en de Raad voor Verkeer en Waterstaat. Sinds 2009 werkt hij bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, momenteel als senior strategisch adviseur bij het DG Overheids Organisatie. In 2019 is hij gepromoveerd aan de Universiteit Utrecht met het proefschrift ‘Hernieuwbare energie voor iedereen’.

Leave a Reply

Your email address will not be published.