Lolcats, Grumpy cat en Henri ‘le chat noir’: waarom katten het internet overheersen

Lolcats, Grumpy cat en Henri ‘le chat noir’: waarom katten het internet overheersen

Ruim tien jaar geef ik inmiddels college in Human-Animal Studies (mens-dierstudies), de relatief nieuwe tak van wetenschap die zich bezighoudt met allerlei relaties tussen mensen en andere dieren, van (kunst-)historisch tot sociologisch, van biologisch tot juridisch (dierenrechten).[1] In die periode is er één vraag waarmee ik door journalisten veruit het meest werd benaderd: hoe valt toch de gigantische populariteit van katten op het internet te verklaren? De reden voor die vraag is simpel: de artikelen daarover worden ook weer massaal gelezen. Het antwoord op de vraag is voor een ‘kattenmannetje’ als ik nog simpeler: katten zijn, de oude Egyptenaren wisten dat al, goddelijke wezens. Maar een academisch antwoord is iets minder eenvoudig, althans: dat vereist een hoogst interdisciplinaire benadering.

De eerste vraag die we ons dan moeten stellen is: waarom hebben we die vreemde wezens om te beginnen ooit in huis gehaald? Dat ligt bij katten veel minder voor de hand dan bij honden, want katten zijn vrijwel het enige huisdier dat solitair is, dus van nature niet samenleeft, niet eens met soortgenoten.[2] De kat sloot zich pas bij ons aan tijdens de neolithische revolutie, toen we ons aan landbouw en veeteelt gingen wijden en ons in steeds verder uitdijende dorpen gingen vestigen. Die katten, alle behorend tot de Noord-Afrikaanse ondersoort van de wilde kat (Felis sylvestris lybica)  kwamen dus niet voor ons, maar voor de enorme hoeveelheden kleine knaagdieren die op onze graanvoorraden afkwamen, wat de kat ironisch genoeg wellicht het enige huisdier maakt dat zichzelf heeft gedomesticeerd.[3]

Dat gebeurde dus ver vóór de hoogtijdagen van de Egyptische farao’s, zo’n 10.000 jaar geleden, ergens in wat nu de vruchtbare Halve Maan wordt genoemd. En ver ná de domesticatie van onze andere beste vriend, de wolf, die minstens 5.000 jaar eerder op diverse plaatsen (en op diverse tijden) door de mens bij zijn toen nog mobiele nederzettingen werd gehaald, wellicht vanwege zijn perfecte aanvullende kwaliteiten (zintuigen, kracht, intelligentie) bij het jagen op voedsel en het overleven te midden van de vele andere predatoren die toen nog op de wereld rondstruinden.[4] Dus hoewel honden en katten op wat andere tijden, plaatsen en manieren bij ons terechtkwamen, zouden ze samen uitgroeien tot de veruit populairste dieren in ons gezelschap wereldwijd − en dat weer wel om een soortgelijke reden.

 

Onze ‘cute response’

Om dat we begrijpen, moeten we ons wenden tot de (psycho-)biologie. Want de reden waarom wij naakte mensapen zo massaal worden aangetrokken tot juist deze twee dieren heeft alles te maken met hoe schattig ze eruit zien. Dat wil zeggen: in onze ogen. Want wat zien wij daarmee? Twee grote ronde vormen met wat korte ronde ledematen, een plat gezicht, een hoog voorhoofd met daaronder twee liefst grote ons recht aankijkende ogen, aangevuld met korte haartjes op de rest van het lichaam en soms wat hoge geluidjes die uit de mond ontsnappen. Het is wel duidelijk: dit zijn wezens die in hoge mate lijken op onze eigen kinderen, die schreeuwen om onze liefde en zorg. Het gaat vanzelf: zodra we een kitten of een puppie zien, begint ons lichaam direct oxitocine aan te maken en worden we overmand door een onbedwingbare neiging het wezen in onze armen te sluiten en te knuffelen.[5]

Dit wordt door biologen ook wel de ‘cute response’ genoemd: een hormonale reactie die evolutionair te verklaren valt vanuit het feit dat wij ons hebben ontwikkeld tot een mensaap die zich vergeleken met de andere nog meer kenmerkt door het gezamenlijk in de groep beschermen en opvoeden van de jongen.[6] Het zijn vooral de ‘neotene’ dieren, dieren die er langer jong uit blijven zien en zich ook zo blijven gedragen, die zich handig bij ons naar binnen hebben gewerkt − met de kat en het hond als ultieme favorieten. Want nu wij mensen ze allang niet meer ter overleving of om andere functionele redenen nodig hebben, blijven we hun gezelschap koesteren als dat van onze eigen familie − en dat hun hele leven lang. En ja, daar begint het mee: om steeds het middelpunt van onze filmpjes op het web te zijn, moet je allereerst steeds in de buurt zijn als wij onze mobieltjes bij ons hebben om te filmen.

 

Perfecte slapstick

Maar dan zijn we er nog niet, want hoe kan het dat niet honden of zelfs kinderen maar juist katten zo vaak het middelpunt van de meest gedeelde filmpjes op het web vormen? Daarvoor moeten we nog een stukje verder terug in de tijd, want de basis voor die online populariteit in de 21ste-eeuwse digitale media hebben katten al meer dan 35 miljoen jaar geleden gelegd. Dat is namelijk de periode waarin wegen van de katachtigen en de hondachtigen zich van elkaar hebben gescheiden en ze elk hun eigen verdere ontwikkeling doormaakten.[7] Dat heeft er onder meer toe geleid dat wilde katten zich steeds meer specialiseerden in hit ‘n’ run-, of beter nog shock ‘n’ awe-jachttechnieken: katten moeten het hebben van heimelijkheid, verrassing en ten slotte pure kracht. Een prooi, juist bij grote katten niet zelden nog groter dan henzelf, moet in luttele seconden besprongen, overmeesterd en gedood worden, anders is het overwicht weg en kan het voor de kat zelfs gevaarlijk worden; de spieren zijn vooral gericht op korte krachtsexplosies, bij langere inspanning volgt al snel verzuring. Het is ook de reden waarom katten zo’n ongelooflijk flexibele ruggengraat hebben: ze moeten onmiddellijk fysiek elke denkbare of ondenkbare slag of sprong kunnen maken, anders is het al te laat.[8]

Wilde honden hebben heel andere kwaliteiten om hun prooi te overmeesteren: zij moeten het hebben van uithoudingsvermogen, vasthoudendheid − en omdat ze vaak in roedels leven en jagen: samenwerking. Een roedel wolven kan bij een goede coördinatie zelfs nog grotere prooidieren de baas, maar dat gebeurt vaak pas na een lange achtervolging die geen seconden, maar tientallen minuten kan duren − totdat de prooi van pure uitputting door vrijwel alle reserves heen is. Maar dat laatste levert geen leuke filmpjes op − en al zeker niet van luttele seconden. Terwijl we in al die grappige korte filmpjes van onze huiskatten direct de jachttechniek van de grote familieleden herkennen: een kat klimt ergens op, achter, in, onder of tracht zich op welke bizarre manier dan ook onzichtbaar te maken, komt vervolgens tevoorschijn, maakt (letterlijk) rare sprongen maar komt altijd weer op de vier poten terecht  met vaak een blik in de ogen die even verrast lijkt als de toeschouwer van alle actie. Ofwel, om het in één simpele zin te zeggen: katten zijn de perfecte slapstickacteurs.

 

De vierde wand

En nu komen we uit bij de cultuurwetenschappen. Want het is geen toeval dat een genre dat nu bij de opkomst van de digitale media zo populair is, dat ongeveer een eeuw geleden ook al was bij de opkomst van dat eerste audiovisuele medium met bewegend beeld: de film. Want slapstick heeft een aantal prettige kenmerken. Het filmpje is visueel en heeft dus geen taal of vertaling nodig, het is direct voor iedereen te begrijpen. Het kan heel kort zijn, want het heeft niet of nauwelijks een verhaal: de situatie is direct duidelijk (weg, trap), het ‘probleem’ helder (banaan, balletje), de spanning grappig, en de oplossing snel en simpel (verrassing, val). Die korte filmpjes waren in de begintijd van de film vooral handig omdat langere films technisch veel moeilijker zo niet onmogelijk te maken waren. Vandaag de dag zijn korte filmpjes vooral ideaal omdat onze aandachtsspanne, zeker op het web, meestal niet langer dan een paar minuten is, vaker nog enkele tientallen seconden. En daar zijn de avonturen van onze katten dus als het ware voor gemáákt.

Wat niet wil zeggen dat filmpjes van honden (en kinderen) niet ook ruim voorhanden zijn op het net. Maar wie goed kijkt ziet dat die meestal anders zijn: waar de filmpjes van katten zo grappig zijn omdat ze niets door (lijken te) hebben van de aanwezigheid van de camera (nog eens: ze zijn immers solitaire dieren), zijn die van honden en baby’s vooral grappig als ze reageren op de camera. Nou ja, de camera: de hond interacteert natuurlijk vooral met de persoon achter de camera, in veel gevallen ‘de alfa’ van de roedel, het baasje. Op die manier breekt hij door wat in het theater ‘de vierde wand’ wordt genoemd: het publiek wordt rechtstreeks geadresseerd (in dit geval natuurlijk virtueel, maar toch), en het plezier voor de kijker zit ‘m in de reactie van het personage in beeld: de hond reageert precies zoals we gehoopt of verwacht hadden… of juist niet! Zo zijn hondenfilmpjes veelal heel anders aantrekkelijk dan die met katten: bij honden is het die schattige interactie, bij katten het totale gebrek eraan (dat ‘deadpan face’).[9]

 

Vileine observaties

Dit brengt ons nog wel op een ander, meer sociaal-cultureel soort verklaringen voor de populariteit van kattenfilmpjes op het web: virtueel (in dubbele zin) escapisme uit de surveillance-maatschappij waarin we leven. Die surveillance heeft, zo weten we inmiddels, ook alles met het web zelf te maken: het toenemende ongemak waarmee we langs de sites en pagina’s klikken in het vage besef dat dat surfgedrag voortdurend wordt gevolgd door allerlei commerciële en andere partijen met bedoelingen en effecten die we nog nauwelijks kunnen overzien. Dat zou mogelijk ten koste gaan van onze autonomie als individu, die we juist in onze westerse cultuur zo hoog waarderen. Maar katten laten zien dat het ook anders kan: zij geven ons het idee, het voorbeeld of de illusie, dat het wel degelijk mogelijk is om ‘jezelf te blijven’ in een wereld waarin je afhankelijk bent van de bewaking van anderen en daar een eigen weg in kan vinden. De ironie hier is dat het klikken op, bekijken van en doorsturen waar deze kattenfilmpjes hun kijkers toe verleiden, alleen maar leiden tot het nog succesvoller monitoren van die internetgebruikers zelf: we kunnen niet ontsnappen aan het terechte gevoel voortdurend gevolgd te worden, waar katten zich vaak in het geheel niet door laten hinderen.[10]

Alleen: klopt dat wel? Of iets breder gesteld: krijgen we een beter beeld van katten door filmpjes van hen op het web, gaan we ze echt beter begrijpen? Laten we eerlijk zijn: als de korte video’s van hen even veel zeggen als clips van Charlie Chaplin over de menselijke natuur, dan is die kans niet groot. Ervan uitgaand dat ‘no animals are harmed’ bij het maken van de meeste filmpjes, en er in die zin niet veel mis mee is, dan nog krijgen we net als in ‘menselijke’ slapstick een vrij specifiek, beperkt en clichématig beeld van de personages. Dat is alweer een deel van de attractie ervan: je herkent er al te eenvoudig je eigen kat in, ‘die doet dat precies zo!’ Maar net als mensen laten katten zich niet reduceren tot simpele representaties van hun soort, en al zeker niet in een paar seconden. En er zijn ook wel degelijk filmpjes die katten voorstellen als andere, niet-menselijke wezens met hoogst individuele en eigen-wijze ideeën en emoties. Mijn favoriete kattenvideo op het web is er zo-een. Daarin overpeinst de zwarte kat Henri (in menselijke taal, dat wel) de nadelen van het leven tussen volstrekt idiote huisgenoten, die zich niet bewust zijn van de messcherpe, vileine observaties en de zwarte humor waarmee de kat zich beweegt in een wereld die vooral pijnlijk echt is: Paw de deux.

Voetnoten

[1] DeMello, M., Animals and society: An introduction to human-animal studies. New York: Columbia University Press, 2012.

[2] Alger, S. & J. Alger, Cat culture: the social world of a cat shelter. Philadelphia: Temple University Press, 2003.

[3] Driscoll, C. & J. Clutton-Brock, A. Kitchener, ‘The taming of the cat’. In: Scientific American, juni 2009, p. 68-75.

[4] Hare, B. & V. Woods, The genius of dogs: discovering the unique intelligence of man’s best friend. New York: Dutton, 2013.

[5] Serpell, J., ‘Anthropomorphism and anthropomorphic selection – beyond the “cute response”’. In: Society and Animals, Vol. 11 (2003), no. 1, p. 83-100.

[6] Hrdy, S., Mothers and other: the evolutionary origins of mutual understanding. New York: Belnap Press, 2011.

[7] Turner, A. & M. Anton, The big cats and their fossil relatives. New York: Columbia University Press, 1997.

[8] Kitchener, A., The natural history of the wild cats. Londen: Helm, 1991.

[9] O’Meara, R., ‘Do cats know they rule YouTube? Surveillance and the pleasures of cat videos’. In: M/C Journal, Vol. 17 (2014), no. 2.

[10] Myers, C., ‘I’m told I’m famous on the internet – Henri the cat and the critical possibility of anthropomorphism’. In: Humanimalia, Vol. 6 (2015), no. 2.

Maarten Reesink doceert Human-Animal Studies aan de afdeling Mediastudies en het Instituut voor Interdisciplinaire Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij geeft regelmatig lezingen en publiceert over mens-dierrelaties in diverse vak- en publiekstijdschriften. Momenteel werkt hij aan een Nederlandse inleiding in Mens-Dier Studies.

Leave a Reply

Your email address will not be published.