Goudwinning in de Sub-Sahara is environmental injustice en lijkt op kolonialisme

Goudwinning in de Sub-Sahara is environmental injustice en lijkt op kolonialisme

Eva Kwakman

In december 2017 beschreef journaliste Sophia Jones[i] hoe de plantage van Yaa Konadu, een Ghanese vrouw van 74 jaar, werd afgepakt door het Amerikaanse goudmijnbedrijf Newmont terwijl ze er niet was. Ze verwoestten haar cacaobomen en lieten een mededeling achter dat ze waren langsgekomen om vast te stellen hoeveel compensatie ze haar verschuldigd waren voor het land dat ze van haar afpakten. De familie van Konadu gebruikte het al generaties lang om van te leven, maar volgens haar bood het mijnbedrijf haar omgerekend slechts 343 dollar aan ter compensatie.

Het gebied dat ‘Sub-Sahara’ heet. Er zijn geen harde noordelijke grenzen: verschillende opvattingen bestaan over de opname van Mauritanië, Somalië en Soedan in het gebied. [II]

De expansiedrift van Newmont in Ghana staat model voor de vele acties van mijnondernemingen in de Sub-Sahara waar de lokale bevolking negatieve gevolgen van ondervindt.[iii] Niet alleen het afpakken van land waar mensen van leven komt veel voor,[iv] ook vervuiling van hun water en land is inherent aan de winning en verwerking van mineralen.[v] Omdat deze praktijken worden uitgevoerd door buitenlandse bedrijven en zich lijken af te spelen langs lijnen van etniciteit en klasse, kijken meerdere onderzoekers ernaar door een lens van environmental justice,[vi] een Amerikaans concept dat de disproportionele milieulast op niet-witte mensen blootlegt. Hoe is dit concept ontstaan, hoe vertaalt het zich naar de goudmijnen in de Sub-Sahara en hoe verzetten lokale bewoners zich tegen het afpakken van hun land?

Disproportioneel getroffen
De beweging voor environmental justice ontstond tijdens het einde van de jaren ’70 en het begin van de jaren ’80 in de VS.[vii] Gepubliceerde werken binnen deze beweging lieten zien dat de etniciteit van bevolkingsgroepen voor een groot deel bepaalde waar gevaarlijk afval werd gedumpt.[viii] Hierdoor, zo werd er gerapporteerd, werden niet-witte mensen en mensen van lagere economische klassen in de VS meer blootgesteld aan gevaarlijke milieueffecten dan witte Amerikanen.[ix] Oorspronkelijk vooral geassocieerd met environmental racism, kwam de bredere term environmental justice pas later, nadat meerdere academici erop wezen dat etniciteit en klasse onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.[x] Met twee National People of Color Environmental Leadership Summits, respectievelijk in 1991 en 2002, groeide de environmental justice-beweging uit naar andere continenten en werd er een concrete agenda vastgesteld die zich op meerdere onrechtvaardigheden richtte.[xi] Volgens de filosoof Workineh Kelbessa is ‘de meest genoemde betekenis van environmental justice een eerlijke verdeling van milieuvoordelen en -nadelen over alle mensen’.[xii]

Ontwrichte gemeenschappen
De definities van environmental justice zijn dus universeel, maar Peter Aldinger schrijft in de Georgetown International Environmental Law Review dat het begrip in de dagelijkse levens van mensen op het platteland in de Sub-Sahara andere vormen aanneemt dan in de VS.[xiii] In de VS zijn niet-witte mensen buitenproportioneel vaak slachtoffer van ernstige vervuiling, maar hebben ze meestal nog wel toegang tot ‘schoon water, eten, fundamentele voorzieningen en kunnen [ze] deelnemen aan sociale en culturele activiteiten die ze waarderen.’[xiv] Plattelandsgemeenschappen in de Sub-Sahara zijn echter ook voor deze voorzieningen afhankelijk van hun natuurlijke omgeving. Die gebruiken ze voor ‘landbouw; de mogelijkheid om te jagen en wild te vangen; gratis en gemakkelijke toegang tot natuurlijk voorkomende bronnen van schoon water om te drinken, te baden en te wassen; beschikbaarheid van planten en kruiden voor traditionele medicinale praktijken; en toegang tot cultureel belangrijke locaties, zoals begraafplaatsen, ontmoetingsplaatsen en heiligdommen’.[xv] De bedreiging van hun land door de acties van grote (goud)mijnbedrijven heeft dus invloed op al deze aspecten van hun leven.

‘In de meest extreme omstandigheden’, zo schrijft Aldinger, kunnen zulke acties ‘leiden tot ernstige sociale ontwrichting, waarbij niet alleen de gezondheid en het welzijn van de leden van de gemeenschap in gevaar worden gebracht, maar soms ook de levensvatbaarheid ervan als gemeenschap per se: de collectieve banden met de natuurlijke hulpbronnen en het milieu worden in wezen verbroken, waardoor de gemeenschap op drift raakt.’[xvi] Dit betekent botweg de accumulatie van kapitaal ‘door middel van onteigening’.[xvii] Aldinger zegt echter in een voetnoot dat hetzelfde kan gebeuren bij initiatieven die bedoeld zijn om het milieu te ‘beschermen’ in plaats van te vernielen: ‘Lokale, inheemse groepen zijn in het verleden verdreven uit nieuw gecreëerde natuur- en wildernisreservaten, wat heeft geleid tot de extreme ontwrichting van de getroffen gemeenschap’.[xviii] Het zijn dus niet alleen multinationale goudmijnbedrijven maar ook op het eerste gezicht ‘goedaardige’ projecten die te weinig oog hebben voor de niet-westerse mens die in, met en van de natuur leeft.

Voor of tegen goudwinning?
‘We hebben een statistische regelmaat gevonden die geldt voor de gehele Sub-Sahara: minerale rijkdom verhoogt protest,’ rapporteerden Moisés Arce en Rebecca E. Miller in 2016.[xix] Tegen de praktijken van mijnbedrijven hebben lokale bevolkingsgroepen zich dus zeker verzet, onder andere vanwege de vervuiling of onteigening van hun omgeving.[xx] Zij drukken zich uit in termen van fundamentele rechten: ‘het recht op water, land of cultureel overleven’, schrijven Arce en Miller.[xxi] Vaak gaat het in deze conflicten ook om concurrerende normen, waarden[xxii] en morele veronderstellingen van de verschillende betrokken partijen.[xxiii] Zo verdedigen protesterende burgers hun standpunten door de praktijken van mijnbedrijven als ‘abnormaal’ en ‘onrechtvaardig’ te bestempelen.[xxiv] Dit soort verzet is meestal geheel tegen grootschalige winning van goud en andere delfstoffen.

Er zijn echter ook groepen burgers die wél voordelen zien in delfstoffenwinning, maar zich verzetten tegen de oneerlijke verdeling van de inkomsten van grootschalige mijnbouwprojecten.[xxv] Dit komt vooral voor in dorre gebieden, waar landbouw nauwelijks mogelijk is en de bevolking aangewezen is op de mijnen om te overleven. In zulke gebieden doen ze dan ook aan kleinschalige en ambachtelijke goudwinning, maar dat wordt door veel overheden in de Sub-Sahara tegengewerkt ten behoeve van multinationals.[xxvi] Als compensatie eisen sommige inwoners van mijnregio’s een baan bij het grootschalige mijnbedrijf in kwestie.[xxvii] Hieruit blijkt dat het niet zo simpel is om delfstoffenwinning in zijn geheel af te schrijven.

Kleinschalige en ambachtelijke winning kan veiliger en minder schadelijk worden gemaakt voor zowel mensen en het milieu door deze te legaliseren en er meer ruimte aan te geven dan aan multinationals.[xxviii] Er zijn ngo’s, zoals Fairtrade International en Alliance for Responsible Mining, die hieraan werken, maar helaas slagen ook hun tactieken er nog niet in om armoede en vervuiling aan te pakken.[xxix] Wel heeft Alliance for Responsible Mining recent een kleiner programma opgezet dat beter aansluit bij de belangen en mogelijkheden van arbeiders.[xxx] Als je dus goud wilt kopen zonder een uitbuitende, vervuilende en koloniserende sector te financieren, zijn merken die met deze ngo samenwerken een optie.

Het verzet staat voor grote uitdagingen
Ondanks de veel voorkomende opstand tegen multinationale mijnbedrijven is het voor burgers die zich verzetten moeilijk om een structurele oplossing voor hun situatie te krijgen. Zo schrijft politicologe Bettina Engels dat veel mijnconflicten in de Sub-Sahara ‘worden gekenmerkt door zwakke deelname en vertegenwoordiging van lokale landgebruikers en dorpsbewoners in de processen voor mijnvergunningen, en door een gebrek aan institutionele kanalen en de facto mogelijkheden voor deze groepen om hun vorderingen en belangen uit te oefenen’.[xxxi] Ook intimideerden de Ghanese autoriteiten protesterende burgers met arrestaties bij de protesten tegen de Ghanese mijn van Newmont, het bedrijf dat de plantage van Yaa Konadu afpakte.[xxxii]

Deze verschijnselen hangen samen met het ongelukkige feit dat veel staten in de Sub-Sahara solidair zijn aan buitenlands kapitaal, omdat ze mee moeten gaan met de neoliberale wereldorde.[xxxiii] Zoals meerdere schrijvers opmerken, echoot in deze relaties het kolonialisme nog na: net zoals toen wordt het land van de lokale bevolking gebruikt door buitenlandse machten, ten koste van die lokale bevolking,[xxxiv] en de opbrengsten worden verdeeld onder de mijnbedrijven en de centrale staten.[xxxv]

Bibliografie

[i]Jones, Sophia. 2017. ‘Women In Ghana Battle A U.S.-Owned Gold Mine For Land And Livelihood’. Sierra, 2017. https://www.sierraclub.org/sierra/2018-1-january-february/feature/women-ghana-battle-us-owned-gold-mine-for-land-and-livelihood.

[ii] T, L. 2019. ‘What Is Sub-Saharan Africa?’. The Economist, 2019. https://www.economist.com/the-economist-explains/2019/03/07/what-is-sub-saharan-africa.

[iii] Arce en Miller, ‘Mineral Wealth And Protest In Sub-Saharan Africa’.

[iv] Aldinger, Peter. 2014. ‘Addressing Environmental Justice Concerns in Developing Countries: Mining in Nigeria, Uganda and Ghana’. Georgetown International Environmental Law Review 26 (4): 345-388.

[v] Bridge, Gavin. 2004. ‘Contested Terrain: Mining And The Environment’. Annual Review Of Environment And Resources 29 (1): 205-259.

[vi] Ibid.; Makene, Madoshi, Jody Emel, en James Murphy. 2012. ‘Calling For Justice In The Goldfields Of Tanzania’. Resources 1 (1): 3-22.

[vii] Kelbessa, Workineh. 2012. ‘Environmental Injustice In Africa’. Contemporary Pragmatism 9 (1): 99-132.

[viii] Ibid.

[ix] Ibid.

[x] Banerjee, Damayanti, en Michael M. Bell, ‘Environmental Justice,’ in Encyclopedia of Race, Ethnicity, and Society, ed. Richard T. Schafer (Thousand Oaks, Cal.: Sage Publications, 2008) cited in Kelbessa, ‘Environmental Injustice In Africa’, 101.

[xi] Kelbessa, ‘Environmental Injustice In Africa’, 100.

[xii] Ibid., 101.

[xiii] Aldinger, ‘Addressing Environmental Justice Concerns in Developing Countries’, 356.

[xiv] Ibid.

[xv] Ibid., 355.

[xvi] Ibid., 357.

[xvii] Harvey, David. 2004. ‘The “new” imperialism: Accumulation by dispossession’. Socialist Register 40: 63–84.

[xviii] Aldinger, ‘Addressing Environmental Justice Concerns in Developing Countries’, 357, refererend naar Dowie, Mark. 2009. Conservation Refugees: The Hundred-Year Conflict Between Global Conservation And Native Peoples. The MIT Press.

[xix] Arce en Miller, ‘Mineral Wealth And Protest In Sub-Saharan Africa’, 99.

[xx] Ibid., 87.

[xxi] Ibid., 88.

[xxii] Wolff, Jonas. 2017. ‘Contesting Extractivism: Conceptual, Theoretical And Normative Reflections’. In Contested Extractivism, Society And The State, 243-255. London: Macmillan Publishers Ltd.

[xxiii] Engels, Bettina. 2020. ‘Not Normal, Not Just: Protest Against Large-Scale Mining From A Moral Economy Perspective’. Canadian Journal Of African Studies / Revue Canadienne Des Études Africaines 54 (3): 479-496.

[xxiv] Ibid., 480.

[xxv] Arce en Miller, ‘Mineral Wealth And Protest In Sub-Saharan Africa’, 91.

[xxvi] Sauerwein, Titus. 2020. ‘Gold Mining And Development In Côte D’Ivoire: Trajectories, Opportunities And Oversights’. Land Use Policy 91: 1-10.

[xxvii] Engels, Bettina. 2016. ‘Mining conflicts in sub-Saharan Africa: Actors and repertoires of contention’. GLOCON Working Paper 2, Freie Universität Berlin, Junior Research Group ‘Global Change – Local Conflicts’ (GLOCON), Berlijn.

[xxviii] Sauerwein, ‘Gold Mining And Development In Côte D’Ivoire’, 3.

[xxix] Sippl, Kristin. 2020. ‘Southern Responses To Fair Trade Gold: Cooperation, Complaint, Competition, Supplementation’. Ecological Economics 169: 106377.

[xxx] Ibid.

[xxxi] Engels, ‘Mining conflicts in sub-Saharan Africa’, 4.

[xxxii] Crawford, Gorden, Coleman Agyeyomah, en Atinga Mba. 2017. ‘Ghana – Big Man, Big Envelope, Finish: Chinese Corporate Exploitation In Small- Scale Mining’. In Contested Extractivism, Society And The State, 69-99. London: Macmillan Publishers Ltd.

[xxxiii] Emel, Jody, Matthew T. Huber, en Madoshi H. Makene. 2011. ‘Extracting Sovereignty: Capital, Territory, And Gold Mining In Tanzania’. Political Geography 30 (2): 70-79.

[xxxiv] Ibid., 76.

[xxxv] Engels, ‘Mining conflicts in sub-Saharan Africa’, 5.

Eva Kwakman (1996) studeerde Psychobiologie (bachelor) en Sociologie (master) aan de Universiteit van Amsterdam. Ze is geïnteresseerd in sociale ongelijkheid die meerdere vakgebieden doorkruist en wil hier als journalist over schrijven vanuit een sociaalwetenschappelijk perspectief. Ze schreef haar masterscriptie over hedendaagse koloniale denkbeelden die zich verschuilen in het klimaatdebat in de media. Eva is redactielid bij Blind.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *