Een conflict tussen geloof en wetenschap

Een conflict tussen geloof en wetenschap

Tegenwoordig is het bijna vanzelfsprekend te denken dat er een natuurlijke kloof ligt tussen geloof en wetenschap. Hoe kunnen deze twee immers vreedzaam naast elkaar bestaan? Sluit het een niet automatisch het ander uit? Het geloof in een God, het bestaan van wonderen, de uitleg van de kerk over de werking van de natuur: dit is tegenovergesteld aan de visie van natuurwetenschappers, die de natuur proberen te doorgronden via logische beredeneringen en experimenten. Terugkijkend in het verleden zijn er de klassieke conflicten tussen bijvoorbeeld Copernicus’ volgelingen en de kerk (denk aan Galileï) en de conflicten rond Darwins evolutietheorie. Deze voorbeelden hebben het idee van een vanzelfsprekende kloof versterkt. Dit beeld is vanaf de negentiende eeuw versterkt door historici die veronderstelden dat christelijke theologen altijd lijnrecht tegenover de ontwikkeling van de natuurwetenschap hadden gestaan.

In de twintigste eeuw kreeg men geleidelijk door dat het beeld van de kloof een sterke vereenvoudiging was. Het besef hiervan groeide na de publicatie van H. Butterfields The Whig Interpretation of History in 1931, waarin historici werden gewaarschuwd het verleden niet vanuit het heden te onderzoeken. Geschiedenisbeoefenaars kregen meer oog voor de context en de verschillen in de tijd zelf. Het verleden werd niet langer bekeken met moderne ogen, maar de historicus probeerde zich van dit finalisme te ontdoen. De rol van religie door de tijd heen werd met meer waardering bekeken. Wetenschapsbeoefening bleek zelfs lange tijd te zijn bevorderd door zowel de kerk als door gelovigen. Wat onder wetenschap, om meer precies te zijn natuurwetenschap, werd verstaan bleek gedurende de tijd ook sterk veranderd. 

De oude conflictthese had echter binnen het geschiedenisvak diep wortel geschoten. Pas vanaf ongeveer 1980 werd de conflictthese volledig vervangen voor een ander historisch beeld. Met de opkomst van wat tegenwoordig de natuurwetenschappen zijn, zijn geloof en wetenschap zowel tegenstrijdig aan elkaar, versterkend, als volledig los van elkaar geweest. Het proces rond Galileï bleek eerder uitzondering dan regel. (Ferngren, ix-x)

De leer van René Descartes

In Nederland was er in Galileï’s tijd ook sprake van een dergelijke uitzondering; een hoogoplopend meningsverschil tussen aanhangers van het geloof en die van de ‘wetenschap’. Tussen 1639 en 1648 vond aan de universiteit van Utrecht een botsing plaats tussen professoren aan de theologiefaculteit en een hoogleraar die was aangesteld om geneeskunde te onderwijzen. Dit conflict zou ongetwijfeld zijn vergeten als het niet allemaal om één specifieke persoon had gedraaid, namelijk René Descartes (1596-1650), in die tijd woonachtig in de Republiek. Dat de gemoederen behoorlijk hoog oplaaiden was ook voornamelijk aan dit heerschap te danken. Descartes schuwde grof taalgebruik niet. Daarin stond hij overigens niet alleen.

Aangetrokken door de relatieve vrijheid van de Republiek vestigde René Descartes zich hier in 1629. Al snel had hij een flink netwerk opgebouwd, bestaande uit edelen, regenten, wetenschapbeoefenaars, hoogleraren en geestelijken, zowel katholiek als protestants. Zelf was en bleef hij zijn hele leven praktiserend katholiek. Erg geschrokken van het nieuws rond Galileï in 1633, liep hij conflicten met de kerk uit de weg. Zowel hij als Galileï hadden het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus geadopteerd. De ‘nieuwe wetenschappelijke methode’ die Descartes hanteerde was gebaseerd op ‘de twijfel’. Alle kennis die uit boeken of van zintuigen afkomstig was verwierp hij. Slechts de rede kon zekerheid bieden. De mens moest eerst alle zekerheden overboord gooien tot er nog slechts één overeind stond: die van het eigen bestaan. Cogito ergo sum, oftewel ‘ik denk, dus ik besta’. Aannames die vervolgens gedaan mochten worden moesten allen helder van aard zijn. De materiële wereld werd met behulp van de wiskunde blootgelegd. Algemene natuurwetten maakten dat alle natuurverschijnselen met elkaar in verband stonden. 

Dit is de basis van Descartes’ wetenschap. Zijn leer ging echter nog veel verder. Descartes ging (overigens niet als eerste) zo ver om te beweren dat alles in de materiële wereld bestond uit kleine materiedeeltjes. De individuele aard der dingen, de ziel van alles, werd ontkend. Vanuit het idee van deze ‘corpuskels’ kwam Descartes tot drie natuurwetten en zeven botsingsregels, waarvan er geen een de tand des tijds heeft doorstaan. Het adopteren van zowel Copernicus’ heliocentrische beeld als William Harveys ideeën omtrent de bloedsomloop blijken achteraf ongeveer correct.

Het oude aristotelische wereldbeeld dat in die tijd geïnstitutionaliseerd was verklaarde elk natuurverschijnsel afzonderlijk. Alles had een eigen aard en een eigen substantie. Bovendien was de bijbel de eerste en voornaamste bron tot kennis van de natuur, een boek dat door Descartes werd verworpen. Het aristotelisme was al decennialang in een ernstige impasse geraakt. Door boekdrukkunst, ontdekkingsreizen, de reformatie en het humanisme kreeg een steeds groter publiek kennis van steeds meer teksten en natuurverschijnselen. Meer en meer kennis werd vernomen van dingen waar noch de bijbel, noch Aristoteles een verklaring voor had. Andere ‘werelden’ werden ontdekt en observaties in de hemel leken niet te kloppen. Elke intellectueel ging daar op zijn eigen manier mee om, maar in het algemeen zegevierde halsstarrigheid. 

Professoren te Utrecht

Onder de vele intellectuelen in Europa die zich aangetrokken voelden tot Descartes’ leer en die van zijn volgelingen, het cartesianisme, was ook Henricus Regius (1598-1679), hoogleraar theoretische geneeskunde en botanie aan de universiteit van Utrecht. Zonder veel aandacht te besteden aan de mogelijke gevolgen oreerde hij Descartes’ ideeën in de collegezalen van de universiteit. Niet alleen leidde dat tot grote onrust onder studenten, maar hij had zich ernstig verkeken in de mening van Utrechts voornaamste professor: Gisbertus Voetius (1589-1676), hoogleraar in de theologie en het Hebreeuws en ook enkele jaren rector magnificus. Zijn invloed was dermate groot dat er ook wel gesproken werd van de ‘Academia Voetiana’. Hij was niet alleen onderwijzer, maar zag het als zijn nobele taak om de in die tijd behoorlijk losbandige en baldadige studenten tot vrome calvinisten op te voeden. (Hij voegde zich hierbij binnen de Nadere Reformatie.) Het aristotelisme werd door Voetius omarmd en fungeerde voor hem als de ondersteunende filosofie waardoor de gereformeerde kerk haar positie kon versterken.

In 1641 had Regius, in overleg met Voetius, enkele aan Descartes ontleende ideeën verwerkt in drie medische disputaties. Wellicht vanwege het gemak waarmee hij deze eerste ideeën had verspreid waagde hij zich aan een tweede serie disputaties, later dat jaar. Regius besloot zowel de visie van de beweging van de aarde en de zon als middelpunt ten gehore te brengen als het idee van het menselijk lichaam als materie, gescheiden van de menselijke ziel. Dit overigens zonder toestemming van Descartes die bang was voor de consequenties van een roekeloze verspreiding ervan. De disputatie eindigde in grote wanorde, het lawaai stopte zelfs niet toen de rector en de andere professoren het auditorium verlieten; ‘want daer is noyt, in eenige faculteyt, eenige disputatie die so wat heftig toeginck, gehouden, in welcke de toehoorders met rammelen ende stampen der voeten de onmanierlijckheydt der disputerende niet gecastyt of gereprimeert en hebben’, aldus staat in een acte van de universiteitssenaat. (Verbeek, 1992, pp. 19-20)

Tien dagen later werd er een openbare disputatie voorbereid aan de theologiefaculteit. In Voetius’ bijdrage keerde hij zich tegen Descartes’ notie over de verhouding tussen het lichaam en de ziel en het copernicaanse systeem. Dankzij de persoonlijke interventie van een burgemeester (en kennis van Descartes) was de toon van de disputatie verzacht en beschuldigingen van atheïsme (een grote zonde) waren volledig uit de tekst verwijderd. Wegens succes besloot Voetius de disputatie opnieuw op het programma te plaatsen, maar hij noemde dit maal specifiek de naam van Descartes. Descartes was volgens hem immers de aanstichter van veel filosofische dwalingen die momenteel het licht zagen. Na afloop van deze succesvolle disputatie werden enkele theologieprofessoren, waaronder Voetius, bij de burgemeesters geroepen en verzekerd van hun steun als Regius nogmaals de gemoederen zou doen oplaaien. Daarnaast hadden de theologieprofessoren alle recht zich direct met Regius’ lessen te bemoeien, want met regelmaat begaf Regius zich op het gebied van de filosofie. Filosofie was van oudsher ondergeschikt aan de theologie. (Jamin, 2001, p.70)

Nu zijn naam in opspraak was, kwam Descartes zelf in actie. Hij hielp, samen met de bevriende burgemeester, een openbaar antwoord voor Regius te ontwerpen. Deze Responsio, dat in de vorm van een pamflet onder alle geïnteresseerden was verspreid, werd als diepe belediging opgevat door de andere professoren, die in Regius’ betoog voor ‘jaloers’ en zelfs ‘atheïstisch’ werden uitgemaakt. Dit taalgebruik deed de zaak van Regius en Descartes geen goed. Alle tot dan toe onbesliste professoren schaarden zich achter Voetius. Men poogde in een brief vervolgens het stadsbestuur ‘te versoecken dit quaet te willen stuijten, ende het ongeval dat de Academie dreijgt, af te keeren.’ (GAU, notulen van de senaat) Regius werd vervolgens terechtgewezen. Maar dat was niet alles, ook de cartesiaanse leer werd veroordeeld. Zo werd op 24 maart 1642 het cartesianisme officieel verboden aan de universiteit van Utrecht.

Een pamflettenstrijd

Hiermee was het conflict nog niet voorbij. Integendeel, het moest nog goed beginnen. De tweede druk van Descartes’ beroemde Meditationes, dat in Amsterdam verscheen in 1642, werd begeleid door een openbare brief waarin Descartes de klacht uitte dat zijn filosofie niet werd gerespecteerd. Er werd nu voor het eerst grote ruchtbaarheid gegeven aan zijn inmiddels persoonlijke conflict met de universiteit. De reputatie van de universiteit had hierdoor te lijden. Voetius nam hij persoonlijk op de hak. Deze ‘Godgeleerde, Prediker en Twistredenaar’ met zijn ‘ontemmelijke en brandende yver van godvruchtigheit’ zou zijn macht als rector hebben misbruikt om zijn strijd tegen de nieuwe filosofie kracht bij te zetten. Hij was zowel aanklager als rechter. ‘Wie twijffelt of hy heeft lichtelyk ‘t grootste deel zijner Amptgenoten ter plaats, daar hy begeerde, getrokken, en in getal der stemmen d’anderen, die van hem verschilden, verwonnen (…) en d’anderen, vredelievende mannen zijnde, hun Bestierder, die zy wisten bijtig en lasterig te wesen, niet gaerne tegenspraken.’ (Descartes, 1690)

Uiteraard was Voetius woedend en hij ondernam stappen. In een acte van de universiteitssenaat, gedateerd op 1 maart 1643, staat: ‘Why (…) ghetuygen, dat het valsch is, t’gene den Autheur van den brief schrijft.’ Voetius, bang om zijn eigen naam en die van de universiteit aan dubieuze pamfletten te verbinden, werd door een Gronings hoogleraar te hulp geschoten. Deze Martinus Schoock viel Descartes, ‘die anders blooder ben als een Ree, ende alleen moedigh in de duysternisse van [zijn] hol’, niet alleen persoonlijk aan, maar ook inhoudelijk, want hoe kon een methode die op twijfel is gebaseerd enige zekerheid bieden? Daarnaast beschuldigde hij Descartes van atheïsme, luiheid en seksuele uitspattingen. (Verbeek, 1992, pp. 19-23) 

Een open brief aan Voetius volgde, Epistola ad Voetium, aangezien Descartes in de veronderstelling was dat Schoocks pamflet door Voetius zelf was geschreven. Nogmaals beschuldigde hij Voetius van machtsmisbruik. Vooral verdedigde hij zijn eigen doen en laten. Descartes vond dat hijzelf volledig in zijn recht stond. Deze laster, die zo ‘grouwelijck, soo on-verontschuldelijck, ende soo opentlijck’ was, ‘datse niet onghestraft en kan blijven, of het sal schijnen dat alle anderen daer door toeghelaten worden. Ick weet wel dat de inwoonders deser landen groote vryigheyt ghenieten; maer ick laet mijn selven voorstaen, dat dese vryigheyt daer in bestaet, dat de vromen ende onschuldigen worden beschermt, ende niet dat de boosen onghestraft worden ghelaten…’ (Descartes, 1659, p. 113)

Voetius’ naam werd nu definitief door het slijk gehaald, zoals dat immers ook bij Descartes was gebeurd. Het werd tijd dat aan dit conflict een einde kwam. Een commissie van het stadsbestuur concludeerde dat Descartes’ brief lasterlijk was en hij moest zich voor de schout verantwoorden, aldus werd in een openbare resolutie medegedeeld. Descartes bedankte, verongelijkt en vernederd als hij was. Ondertussen liet hij zijn Epistola in het Nederlands vertalen, een publicatie die in het hele land populariteit genoot. Op 23 september 1643 sprak de schout zijn vonnis uit. Lasteringen en insinuaties kenmerkten Descartes’ pamfletten. Hij werd strafbaar bevonden. Descartes richtte zich vervolgens naar zijn meest invloedrijke kennis, de ambassadeur van de Franse koning, die zich persoonlijk tot stadhouder Frederik Hendrik wendde. Deze sprak tot het stadsbestuur: het proces tegen Descartes moest worden stopgezet en de hele zaak verdween in de doofpot. Descartes was hier echter niet tevreden mee. Hij ondernam nog één poging tot eerherstel en liet via de ambassadeur druk uitoefenen op Martinus Schoock, die vervolgens ‘bekende’ dat Voetius zijn schotschrift had geschreven. Het Utrechtse stadsbestuur had echter nergens meer oren naar. Een nieuwe resolutie werd uitgevaardigd, waarin de publicatie van en de handel in boeken over Descartes werden verboden. Zowel Voetius als Descartes werden monddood gemaakt, tot beider ontevredenheid.

Spanningen rond het cartesianisme en de pamflettenstrijd bleven nog decennialang sluimeren. In een uitgebreide Verantwoordingh in 1648 probeerde Descartes nogmaals het stadsbestuur van zijn onschuld te overtuigen. Hij kreeg geen antwoord. Het conflict rond zijn leer had zich inmiddels ook verplaatst naar de universiteit van Leiden, waar de gemoederen nog veel hoger oplaaiden. Weer probeerde Descartes zijn naam te redden in een vete die in eerste instantie tussen hoogleraren ontstond. Wederom werd zijn leer verboden. Teleurgesteld verliet Descartes in 1649 de Republiek.

Veel aspecten speelden een rol in dit conflict. Politiek, reputatie en eer, en persoonlijke verplichtingen waren belangrijke motieven voor de betrokkenen. Natuurlijk was er slechts een handvol personen betrokken in de strijd rond het cartesianisme. Desalniettemin impliceren de diverse, schijnbaar onoplosbare rellen rond Descartes het bestaan van een kloof tussen geloof en wetenschap in de zeventiende eeuw. Een conflict tussen overtuigingen, tussen verschillende visies op ‘de waarheid’. Maar deze kloof is niet van alle tijden, plaatsen, religies of wetenschappen; hij was er echter wel in de zeventiende eeuw, in de Republiek en had vooral betrekking op het calvinisme, het heliocentrisme en het cartesianisme.

Noten en/of literatuur

Over dit onderwerp worden de werken van Theo Verbeek aangeraden, specialist rond de vete tussen Descartes en Voetius.

Gemeentearchief Utrecht, Archief van de senaat en rector van de Rijksuniversiteit Utrecht 1636-1971 (292-1), inv. nr. 1, Resoluties en notulen van de senaat, 1641-1684. 

Butterfield, Henry, The whig interpretation of history, Londen, 1931.

Descartes, Renatus, Brief aan Vader Dinet, Amsterdam, 1690.

Descartes, Renatus, Alle de Werken van Renatus des Cartes, z.p., 1659.

Ferngren, Gary B., ‘Introduction’, in: Idem (red.), Science and religion. A historical introduction, Baltimore, 2002.

Jamin, Hervé, Kennis als opdracht. De universiteit Utrecht 1636-2001, Utrecht, 2001.

Verbeek, Theo, Descartes and the Dutch. Early Reactions to Cartesian Philosophy 1637-1650, Carbondale, 1992.

Verbeek, Theo, Une université pas encore corrompue… Descartes et les premières années de l’Université d’Utrecht, Utrecht, 1993.

Leave a Reply

Your email address will not be published.