Freud over religie

Freud over religie

Wanneer je op een familiefeest een verre oom vertelt dat je psychologie studeert, is er een kans dat hij je trots toevertrouwt dat hij ook wel eens een essay van Sigmund Freud heeft gelezen. Als psycholoog van deze tijd leg je hem geduldig uit dat de befaamde Freud uiteindelijk veel minder heeft betekend voor de wetenschappelijke psychologie dan het grote publiek veronderstelt. Er zijn bovendien weinig psychiaters of psychologen die nog gebruik maken van de psychoanalyse in hun therapie. Maar is het gedachtegoed van Freud wel zo passé? Freuds geschriften en theorieën zijn tot op de dag van vandaag populair bij een groot publiek en hebben wel degelijk hun sporen nagelaten in de psychologie. Bovendien hebben Freuds ideeën een enorme invloed gehad op onze cultuur, literatuur, films en filosofie. Religie, het thema van deze BLIND!, was een fenomeen dat Freud fascineerde. Hij noemde religie ook wel ‘een collectieve waan’.


Religie is voor de psychologie een interessant fenomeen. Wat beweegt mensen om in iets te geloven waarvan nooit is bewezen dat het ‘waar’ is? Zoeken gelovigen naar een verklaring van het leven, een manier om hun leven te leiden, hebben ze behoefte aan een groep waarbinnen zij zich thuis voelen of is er een andere reden voor hun volhardende geloof? Ook Freud werd gegrepen door deze vragen en begon voor het eerst uitgebreid over religie te schrijven in zijn essay De toekomst van een illusie uit 1927. 

Volgens Freud biedt religie de mens illusies, verfijnde fantasieën om in te geloven en mee door het leven te gaan. Het meest bekende religieuze verhaal over God als beschermende vader komt volgens Freud voort uit de kindertijd. In deze periode moet het kind de afgunst jegens zijn vader in de concurrentiestrijd om de moeder opzijzetten, om bescherming van hem te krijgen tegen de boze buitenwereld. Dit verlangen naar bescherming motiveert volgens Freud ook het verlangen van volwassenen naar een vaderlijke god, die wegens zijn almachtigheid een betere bescherming zou bieden dan de menselijke vader. De kracht van religie kan dan ook worden verklaard uit het intense verlangen naar bescherming. Freud typeert religie als een compulsieve neurose waarmee de mens zijn eenzaamheid en kwetsbaarheid voor zichzelf verbergt. Zelfs de dood, het meest angstaanjagende moment van het leven, wordt in de religie geïdealiseerd met de belofte dat er een beter leven zal volgen in het hiernamaals.

Freud is echter nog niet uitgepraat over religie. In zijn essay Het onbehagen in de cultuur uit 1930 gaat hij in op de wortels van religieuze gevoelens. Volgens Freud bepaalt het lustprincipe ons levensdoel. We zijn op zoek naar een permanente bevrediging van onze grove primaire lusten. Dit levensdoel is echter niet te realiseren. We kunnen nooit langdurig gelukkig zijn. We kennen slechts momenten van plotselinge bevrediging, die wij ervaren als geluk. We krijgen te veel te maken met problemen, teleurstellingen en verdriet, zonder permanente bevrediging te vinden. De vraag is hoe we in staat zijn met al deze ellende te leven. 

Volgens Freud kunnen we ons lijden op verschillende manieren draaglijk maken. Hij noemt als meest effectieve methode het gebruik van verdovende middelen. Ook kan men proberen de driftimpulsen die men ervaart in bedwang te houden. Deze controle zal echter ook het effect teweegbrengen dat men bevrediging als minder intens zal gaan ervaren. Men kan het leed eveneens verzachten door middel van een libidoverschuiving waarbij de bevrediging in iets anders wordt gezocht dan in het uitvoeren van onze driften, bijvoorbeeld in intellectuele of psychische arbeid. Dit noemt Freud ‘sublimering van de driften’. Deze sublimering kan echter nooit de bevrediging van de primaire lichamelijke driften evenaren. 

In weer een andere methode die Freud bespreekt, haalt de mens bevrediging uit de fantasiewereld, waarbij met name het genot dat kunst kan brengen een grote rol speelt. Ook al weet men dat men geniet van iets dat afwijkt van de realiteit, men laat zich daar in zijn genot niet door storen. Nog verder wordt er gegaan in de methode waarin men de realiteit ontkent en deze omvormt tot een bepaald waanidee. Dit laatste is precies wat er gebeurt: religie ontkent de werkelijkheid en stelt groepen in staat hun leven te leiden in ‘een collectieve waan’.

In De toekomst van een illusie levert Freud scherpe kritiek op het fenomeen religie, maar is hij wel redelijk positief over het ontsnappen van de mens aan de religieuze doctrine: de mens zal een dergelijke compulsieve neurose kunnen ontgroeien. In Het onbehagen in de cultuur is hij echter veel negatiever. Hoewel de religieuze ervaring veel weg heeft van een dwangneurose is het in essentie eerder een zelfopgelegde psychose, een waanidee waar men zich collectief aan overgeeft. Het is moeilijk om daar uit te geraken, omdat het leven zonder religie niet draaglijk is. De mens keert zich af van de onbevredigende realiteit. Maar waarom is men zo ontevreden met de werkelijkheid dat er een illusie moet worden geschapen om verder te kunnen leven? In antwoord op deze vraag veronderstelt Freud dat de mens cultuur en daarmee ook religie heeft bedacht als verdediging tegen het verlangen om te sterven, de doodsdrift.

Met deze interessante hypothese eindigt dit bescheiden overzicht van het freudiaanse gedachtegoed over religie. In een wereld waarin (zelfmoord)terrorisme in naam van religie veelvuldig voorkomt, is het belangrijk dat er een discussie blijft bestaan over de zin en onzin van religie, waarbij Freuds ideeën over religie als waanidee zeker niet moeten worden vergeten.

Een eerdere versie van dit artikel is verschenen in Spiegeloog, tijdschrift van de studie Psychologie aan de UvA.

Noten en/of literatuur

Freud, S., ‘Het onbehagen in de cultuur’, in: Sigmund Freud – Nederlandse Editie: Cultuur en Religie, 3, 1984, pp. 138-139.

Braungardt, Jurgen, ‘Freud’s View of Religion’,http://www.braungardt.com/Essays/Freud’s%20view%20of%20Religion.htm(28 februari 2006)

Leave a Reply

Your email address will not be published.