online interdisciplinair tijdschrift | ziedaar.nl

BLIND editie 2 De menselijke geest
12 oktober 2004

De oorsprong van de menselijke geest

door Willem Frankenhuis


--

Dat de mens van een primaatachtige voorouder afstamt is redelijk onomstreden. Maar waarom de menselijke geest zich evolutionair heeft ontwikkeld is, 150 jaar na Darwin's pionierswerk, nog steeds een groot raadsel. In dit artikel worden vier theorieën besproken die een mogelijke verklaring bieden voor die ontwikkeling: man the toolmaker, man the hunter, de sociale intelligentie hypothese en de theorie van het sensuele brein. Uit deze bespreking zal blijken dat de vraag naar de oorsprong van de menselijke geest alleen beantwoord kan worden als kennis uit verschillende disciplines geïntegreerd wordt.

Willem Frankenhuis studeert wijsbegeerte en psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft het interdisciplinaire honoursprogramma gevolgd en daar later als mentor studenten begeleid.


--

Een jaar geleden liep ik door Artis met een groep schoolkinderen, waarvan de meeste van Surinaamse afkomst. Toen we aankwamen bij de leeuwen riep plotseling een klein jongetje uit: "Meester Willem, meester Willem! Als die leeuw je klapt, ga je toch só knak? Tóch, meester Willem?"

Een vraag als deze komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen: vóór Lorenzo zijn ontzag voor de leeuwen uitdrukte in woorden, moet zich een of ander denkproces hebben afgespeeld. Zo spelen zich dagelijks talloze denkprocessen af in ieder mens, over de meest uiteenlopende onderwerpen. Wij mensen vinden dit normaal. We vinden het zelfs niet raar dat we kunnen nadenken over ons eigen denken, en over het denken van anderen. "Dás logisch", zou Johan Cruijff zeggen, "we zijn tenslotte gewend aan onze gedachtewereld." Maar logisch is het zeker niet. Waarom is er in godsnaam een organisme ontstaan dat begiftigd is (of 'vergiftigd') met een denkvermogen zo complex als het onze? Een primaat die kan kaartlezen, peinzen over het leven, en zich afvraagt of je zo knakt, als een leeuw je klapt!

Hoewel er door de jaren heen vele antwoorden op deze vraag zijn geformuleerd, wordt in dit artikel de aandacht gericht op vier invloedrijke theorieën: Man the toolmaker, Man the hunter, Het sociale brein en Het sensuele brein. Het zal daarbij duidelijk worden dat om inzicht te verkrijgen in de oorsprong van de menselijke geest, kennis uit verschillende disciplines geïntegreerd dient te worden – met name uit de archeologie, de neuropsychologie en de evolutionaire biologie. Maar voordat we diep in het verleden duiken, is het zinvol om eerst af te dalen in onze eigen schedel. Als we weten waarin ons brein verschilt van dat van andere dieren, kunnen we gerichter op zoek gaan naar de herkomst van onze geestelijke vermogens.

De super cortex

Het menselijk brein – en dat van andere zoogdieren – bestaat grof gesteld uit drie delen: de hersenstam, het limbisch systeem en de hersenschors. De hersenstam is het oudste deel. Zij is gelegen onder in de hersenen, en regelt al honderden miljoenen jaren basale functies als ademhalen, hartslag en speekselvorming in alle vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren. Bovenop de hersenstam ligt het limbisch systeem. Dit hersendeel speelt een cruciale rol bij gemotiveerde en emotionele gedragingen, zoals eten, drinken, agressie en seks. In feite is het limbisch systeem een conglomeraat van onderling communicerende structuren die elk hun eigen functies hebben: de hippocampus speelt een belangrijke rol bij het opslaan van informatie, de amygdala bij emoties en motivatie, en de basale ganglia bij het plannen van gedrag. Om het limbisch systeem heengevouwen ligt de cerebrale cortex. Dit deel van de hersenen is uitsluitend aanwezig bij zoogdieren, en kan gekarakteriseerd worden als 'een zeer geavanceerd instrument voor complexe informatieverwerking'. De cerebrale cortex is onder andere verantwoordelijk voor de geavanceerde verwerking van perceptuele informatie en voor de controle over fijne motorische handelingen. De buitenste laag van de cerebrale cortex noemt men de neocortex of hersenschors ('cortex' is Latijn voor schors). Deze buitenste laag wordt vaak gezien als de zetel van de hogere cognitieve vermogens, zoals denken, taal en probleem oplossen. Bij primaten, met name bij mensapen, is de neocortex aanzienlijk groter en beter ontwikkeld dan bij andere zoogdieren (1).

Maar als elk zoogdierbrein grofweg deze driedelige structuur heeft, wat maakt de menselijke hersenen dan ´menselijk´? Daarvoor moeten we terug in de tijd: van neuropsychologie naar archeologie, van fMRI naar vuistbijl.

Tussen de 4 en 2,5 miljoen jaar leefde op de Oost-afrikaanse savanne een ruim één meter lange mensaap die volkomen tweebenig was, maar die ook aapachtige trekken had zoals lange armen, gekromde vingers en tenen en een primaatachtige borstkas. Deze voorouder, de Autralopithecus afarensis, had een hersenvolume van ongeveer 450 cm3. Wij, Homo sapiens sapiens, hebben een hersenvolume van gemiddeld 1350 cm_. Dit betekent dat het hersenvolume van de Hominidenlijn in de afgelopen vier miljoen jaar is verdrievoudigd! Deze groei kan deels verklaard worden door het feit dat Hominiden in de loop van de evolutie een steeds groter lichaam kregen, aangezien een groot lichaam gepaard gaat met grotere hersenen. Maar zelfs als we deze wetmatigheid in acht nemen heeft er een explosieve groei plaatsgevonden. Deze groei is vooral te wijten is aan een omvangvermeerdering van de neocortex: de zetel van de hogere cognitieve vermogens en fijne motoriek. Wat ons zoogdierbrein dus 'menselijk' maakt is een buitensporig grote en goed ontwikkelde hersenschors (2). Maar waarom is de hersenschors zo gigantisch gegroeid in slechts vier miljoen jaar, een evolutionaire oogwenk?

Man the toolmaker

Deze vraag werd tot midden jaren '70 vooral gesteld door archeologen en antropologen. Hun antwoord was samengevat door Kenneth Oakley, in zijn boek Man the Toolmaker uit 1949. Daarin betoogde Oakley dat de mens een gereedschapsgebruiker bij uitstek is, en dat hij een groot brein ontwikkelde om steeds beter te worden in het maken en gebruiken van gereedschappen. Dit idee vond indertijd veel weerklank, omdat het goed aansloot bij de intuïtie van mensen – 'wij zijn tenslotte het enige dier dat naar de ruimte kan vliegen'. Daarbij waren er toen nog weinig andere uitgewerkte verklaringen voor de opmerkelijke groei van het menselijk brein. Het belangrijkste bewijs voor Oakley´s hypothese bestond uit enkele archeologische bevindingen die er op leken te wijzen dat een plotselinge toename in de grootte van onze voorouderlijke schedelinhoud enkele malen gepaard was gegaan met een toename in de complexiteit van gereedschappen (3).

In de jaren '60 echter ontstond er twijfel over Man the Toolmaker. Ten eerste ontdekten ethologen dat ook veel dieren gebruik maken van gereedschappen: er werden bijvoorbeeld zeeotters geobserveerd die mosselen kraakten met stenen, chimpansees die elkaars tanden reinigden met takjes en darwinvinken die insecten achter boomschors vandaan toverden met cactusnaalden. Hoewel dit werktuiggebruik natuurlijk minder complex is dan de primitieve schrapers en vuistbijlen van onze recente voorouders, was het toch een aantasting van de uniciteit van de mens. Ten tweede bleek uit nieuwe archeologische vondsten dat gereedschappen pas 200.000 jaar geleden gevarieerd en complex werden, en wel in een plotselinge uitbarsting van creativiteit. Dit was de tijd van de archaïsche Homo sapiens, die toen reeds een hersenvolume had van tussen de 1100 en 1400 cm_. De verdrievoudiging van de voorouderlijke schedelinhoud is dus voorafgegaan aan de plotselinge toename in de complexiteit van gereedschappen. Het is daarom niet waarschijnlijk dat gereedschapgebruik de drijvende kracht is geweest achter de groei van het Hominidenbrein (3).

Man the hunter

De eerste echte rivaal van de toolmaker-theorie was Man the Hunter. In de jaren '60 ontstond er veel interesse in het feit dat de mens de enige primaat is wiens dieet voor een belangrijk deel bestaat uit vlees, en die jaagt om aan deze behoefte te voldoen. Wellicht hadden onze voorouders een groot brein nodig om goed samen te kunnen werken gedurende de jacht: "Hunting", zo redeneerde men, "required forethought, cunning, coordination and the ability to learn skills such as where to find game and how to get close to it" (3). Zou het kunnen dat selectie op deze capaciteiten heeft geleid tot een expansie van de hersenschors? Mogelijk, maar niet waarschijnlijk. Hoewel jagen inderdaad complexe vaardigheden vereist, moeten we niet vergeten dat leeuwen al miljoenen jaren in groepen jagen op zebra's, antilopen en buffels, zonder een buitensporig grote hersenschors! Dit geldt eveneens voor een heleboel andere dieren. Dus waarom zou er specifiek bij de mens een exceptioneel groot brein voor nodig zijn geweest? Op deze vraag lijkt geen bevredigend antwoord te bestaan.

Je zou echter kunnen stellen dat onze voorouders grote hersenen nodig hadden omdat er bij de mens, in tegenstelling tot bij leeuwen, niet gedurende miljoenen jaren geselecteerd is op de fysieke en mentale eigenschappen die nodig zijn voor de gezamenlijke jacht. Misschien waren onze voorouders – toen zij door de vorming van de Rift Valley uit de regenwouden van Centraal Afrika verdreven werden, en gedwongen werden tot een leven op de savanne – opeens aangewezen op gecoördineerd jagen, en hebben zij daartoe in zeer korte tijd enorme geestelijke vermogens moeten ontwikkelen? Het zou kunnen, maar het lijkt mij niet waarschijnlijk. Ook chimpansees – met wie we recentelijk nog een voorouder delen – jagen regelmatig in groepen op soortgenoten en op kleinere, eetbare apen. Voor deze jacht is zeker net zoveel coördinatie en intelligentie nodig als voor het jagen op zebra's en buffels. Hoewel het dus ongetwijfeld zo is dat de jacht op de savanne enkele nieuwe vermogens vereiste, waren de meeste vaardigheden die belangrijk zijn bij een gecoördineerde jacht al miljoenen jaren verankerd in ons voorouderlijk brein. Maar waarom dán die verdrievoudiging van het hersenvolume?

Het sociale brein

Tot nu toe zijn er twee theorieën aan bod gekomen: Man the Toolmaker en Man the Hunter. Deze theorieën gaan er beide vanuit dat het Hominidenbrein is gegroeid in omvang en mogelijkheden om onze voorouders beter in staat te stellen om te gaan met hun ecologische leefomgeving, ofwel door het gebruik van gereedschappen, ofwel door het gecoördineerd jagen. In 1975 echter kreeg de zoektocht naar de oorsprong van de menselijke geest een verrassende wending, toen twee zoölogen – Nicholas Humphrey en Richard Alexander, onafhankelijk van elkaar – een nieuw idee lanceerden: de groei van het Hominidenbrein heeft niet zozeer ecologische, maar sociale oorzaken gehad. Sociale dieren leven continu met de dreiging van diefstal, ontrouw, bedrog, afpersing, kindermoord et cetera. Een dier dat goed is in het inschatten van de wensen, gedachten, gevoelens en reacties van soortgenoten kan een heleboel leed bij zichzelf voorkomen, én het sociale onvermogen van anderen uitbuiten: "Clearly a primate who could not work out whether another had aggressive or deceptive intent would be at a disadvantage. Furthermore, the primate who was able to deceive others in virtue of their inability to detect his disguised intentions would be at a considerable advantage in situations of competition for mates and resources. Thus we might expect an arms race in the development of the ability to detect intentions" (4). Deze wapenwedloop zou hebben geresulteerd in de evolutie van indrukwekkende sociaal-cognitieve vermogens, en daarmee in de groei van het primatenbrein.

Om dit idee te toetsen bedacht Robin Dunbar, psycholoog aan de Universiteit van Liverpool, een slim onderzoek. Hij verzamelde van tientallen primaten de volgende gegevens: het volume van de hersenschors, het volume van de totale hersenmassa en de gemiddelde groepsgrootte waarin deze primaten in het wild leven. Omdat grote dieren meestal grotere hersenen hebben, berekende Dunbar de relatieve grootte van de hersenschors van deze primaten – relatief ten opzichte van het totale hersenvolume. Vervolgens zette hij deze in een grafiek af tegen de gemiddelde groepsgrootte. Hij vond een zeer sterke correlatie: hoe groter de sociale groep, des te groter de hersenschors (5). Een sociale leefwijze lijkt dus inderdaad meer intelligentie te eisen, in ieder geval bij primaten. En aangezien onze voorouders zeer sociaal levende primaten waren, is het goed mogelijk dat wij ons grote brein deels te danken hebben aan de sociale intelligentie van onze voorouders.

Toch kleeft er ook aan de sociale intelligentie hypothese een probleem: "All apes and monkeys show complex behavior replete with communication, manipulation, deception and long-term relationships; selection for Machiavellian intelligence based on such social complexities should again predict much larger brains in other apes and monkeys than we observe" (6). Als de groei van het Hominidenbrein sociale oorzaken heeft gehad, waarom heeft er dan geen explosieve groei van de hersenschors plaatsgevonden bij andere sociaal levende primaten? Misschien omdat de meeste andere primaten zelden of nooit coalities aangaan met niet-verwante soortgenoten, iets dat onze voorouders wel deden. Wolven, bavianen en olifanten zijn allemaal sociale dieren, hebben relatief grote hersenen en vertonen intelligent gedrag, maar leven allemaal uitsluitend in familiegroepen. En iedereen weet dat we minder hebben te vrezen van onze ouders, broers en zussen, dan van vreemden. Maar zodra we afhankelijk worden van vreemden voor ons overleven en voortplanten, is het een ander verhaal. Dan is een goede 'theory of mind' het verschil tussen sámen de vruchten plukken van een gemeenschappelijke inspanning, óf een mes in je rug.

De sociale intelligentie hypothese vindt veel aanhang in de huidige primatologie en comparatieve psychologie. Een jaar of tien geleden echter heeft zij er een controversiële rivale bij gekregen: de theorie van het sensuele brein.

Het sensuele brein

Als evolutionair biologen bij de analyse van een dierlijke eigenschap ontdekken dat deze grote overlevingskosten met zich meebrengt voor het organisme, hebben ze een probleem: hoe kan een eigenschap die de overlevingskansen van een organisme verkleint, zoals de extravagante veren van een mannetjes pauw, zich ontwikkelen door natuurlijke selectie – een proces waarbij juist eigenschappen die een overlevingsvoordeel opleveren blijven voortbestaan? Charles Darwin zelf zat al met deze vraag in zijn maag. Hij schijnt ooit gezegd te hebben: "The sight of a feather in a peacock's tail, whenever I gaze at it, makes me sick (9)!"

Maar twaalf jaar na The Origin of Species verscheen The descent of man, and selection in relation to sex, waarin Darwin een tweede evolutionair proces voorstelt: evolutie door seksuele selectie. Bij seksuele selectie wordt de evolutie van een eigenschap niet bepaald door haar overlevingswaarde, maar door de mate waarin deze aantrekkelijk wordt gevonden door de andere sekse. Het kan gaan om eigenschappen die overlevingswaarde hebben, zoals gezondheid of vruchtbaarheid, maar dat hoeft niet. Integendeel, vaak zijn eigenschappen die door seksuele selectie ontstaan juist kostbaar voor het organisme. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat het organisme op deze wijze toont aan de andere sekse dat het, ondanks zijn ornamenten, toch een gezond en volwassen exemplaar is geworden (7). Een tweede kenmerk van seksuele selectie is dat het een veel sneller proces is dan natuurlijke selectie: waar natuurlijke selectie meestal honderdduizenden jaren nodig heeft om een eigenschap te veranderen, kan seksuele selectie dit binnen een veel kleiner tijdsbestek. Seksuele selectie kan dus relatief snel kostbare eigenschappen voortbrengen.

Het menselijk brein is een uitzonderlijk kostbaar orgaan; zij verbruikt dagelijks 18% van de totale hoeveelheid energie die een mens tot zijn beschikking heeft. Tevens is het menselijk brein in zeer korte tijd enorm gegroeid. 'Waarom dan doen evolutionair denkers geen beroep op seksuele selectie als zij de oorsprong van de menselijke geest proberen te verklaren?', vraagt Geoffrey Miller in zijn boek De parende geest (8). Miller, social psycholoog aan de Universiteit van New Mexico, komt zelf met de volgende hypothese: "I suggest that the neocortex is not primarily or exclusively a device for tool-making, bipedal walking, fire-using, warfare, hunting, gathering, or avoiding savanna predators. None of these postulated functions alone can explain its explosive development in our lineage and not in other closely related species … The neocortex is largely a courtship device to attract and retain sexual mates: its specific evolutionary function is to stimulate and entertain other people, and to assess the stimulation attempts of others" (6).

Het belangrijkste bewijs voor Miller's hypothese is dat mannen én vrouwen aangeven 'een interessante persoonlijkheid, intelligentie, vriendelijkheid, gevoel voor humor en creativiteit' het meest aantrekkelijk te vinden in een mogelijke partner (3). Deze eigenschappen worden zelfs aantrekkelijker gevonden dan rijkdom, status en schoonheid! Waarom? Zijn het misschien indicatoren van sociale intelligentie? Het zou kunnen. Maar waarom steken wij mensen dan zo veel energie in het maken en genieten van kunst, muziek en literatuur? Het lijkt wat vergezocht om te beweren dat ook deze vaardigheden indicatoren zijn van sociale intelligentie. Volgens Miller zijn al deze vaardigheden ontstaan als een soort psychologische pauwenstaarten, om leden van de andere seksen het hof te maken.

Hoewel het interessant en mogelijk is dat seksuele selectie heeft bijgedragen aan het ontstaan van onze geestelijke vermogens, lijkt mij de hypothese dat onze neocortex voornamelijk is ontstaan door seksuele selectie veel te sterk. Helaas is er momenteel nog zeer weinig empirisch bewijs beschikbaar om het idee te toetsen – een probleem dat natuurlijk vaker optreedt bij een nieuwe theorie. Gelukkig zijn wetenschappelijke problemen meestal te herformuleren als uitdagingen, en Miller doet in zijn boek meerdere suggesties over hoe zijn theorie getoetst kan worden (8). Los van dit praktische probleem heeft de theorie van het sensuele brein in mijn ogen tenminste één grote zwakte: zij kan niet verklaren waarom ook vrouwen zulke grote hersenen hebben! Het is een biologische wet dat, bij seksueel voortplantende soorten, de sekse die het minst investeert in de nakomelingen de meest uitbundige ornamenten heeft – bij zoogdieren zijn dit de mannetjes. De reden hiervoor is dat de hoog-investerende sekse maar een beperkt aantal grote investeringen kan doen in haar leven en dus erg kieskeurig moet zijn. De laag-investerende sekse probeert daarom middels allerlei ornamenten de hoog-investerende sekse te overtuigen dat een paring de moeite waard is. Aangezien wij mensen zoogdieren zijn, zou het dus merkwaardig zijn als beide seksen energetisch kostbare hersenen ontwikkeld zouden hebben door seksuele selectie. Miller erkent dit punt en doet meerdere pogingen om dit gegeven te rijmen met zijn theorie. Echter, geen van allen lijkt erg overtuigend.

Conclusie

De zoektocht naar de oorsprong van de geest heeft geen eindpunt opgeleverd. We zijn beland in een doolhof van interessante theorieën die weliswaar meer of minder plausibel zijn, maar geen van allen geeft een empirisch sterk onderbouwd antwoord op onze initiële vraag. Waarschijnlijk is het probleem dat de hier besproken theorieën – Man the toolmaker, Man the hunter, Het sociale brein en Het sensuele brein – te sterk de nadruk leggen op één oorzaak van de groei van het Hominidenbrein. Theorieën die meerdere factoren identificeren, en hun onderlinge relaties, komen dichter bij de prehistorische werkelijkheid. Dit soort theorieën bestaat ook. Zij domineren momenteel het debat omtrent de oorsprong van de menselijke geest.

Als je graag meer wilt weten over deze theorieën, raad ik je zeker aan om eens te kijken op een van de volgende websites:

http://www.soc.upenn.edu/courses/2003/spring/soc621_iliana/readings/kapl00d.pdf

http://cogweb.ucla.edu/Abstracts/Gardner_on_Mithen.html

Literatuurlijst

1. Gazzaniga, M.S., Ivry, R.B. & Mangun, G.R. (2002). Cognitive neuroscience: The biology of the mind. Norton. Pp 75.
2. Pinker, S. (1997). How the mind works. New York: Norton. Pp 191-205.
3. Ridley, M. (1993). The red queen: Sex and the evolution of human nature. Penguin Books. Pp 297-333.
4. Gerrans, P. (2002). The theory of mind module in evolutionary psychology. Biology and Philosophy, 17. Pp 305-321.
5. Dunbar, R.I.M (1993). Coevolution of neocortical size, group size and language in humans. Behavioral and Brain Sciences, 16. Pp 681-735.
6. Miller, G.F. (1992). ‘Sexual selection for protean expressiveness: A new model of hominid encephalization’, paper delivered to the fourth annual meeting of the Human Behavior and Evolution Society, Albuquerque, New Mexico, July 22-6, 1992.
7. Zahavi, A. & Zahavi, A. (1997). The handicap principle: A missing piece of Darwin’s puzzle. New York: Oxford University Press.
8. Miller, G. (2001). De parende geest: Seksuele selectie en de evolutie van het bewustzijn. Antwerpen/Amsterdam: Contact.
9. Zimmer, C. (2001). Evolution: The triumph of an idea. HarperCollinsPublishers. Pp 235.

http://www.ziedaar.nl/article.php?id=191
BLIND editie 2 De menselijke geest
12 oktober 2004

issn 1879-8144