Onbegrip in de rechtbank

Onbegrip in de rechtbank

In 2005 heb ik onderzoek gedaan naar de jeugdrechtspleging in Barcelona. De vraag die ik daarbij stelde is of de context van de jeugdstrafrechtzittingen jongeren belemmert of juist helpt in het begrijpen van hun rechtszitting. Het taalgebruik tijdens de zittingen bleek daarbij een belangrijke factor te zijn. Als het taalgebruik meer aan de jongeren wordt aangepast, begrijpen ze de zitting beter (Eggermont, Stomme streken). Daarnaast voelen zij zich beter op hun gemak en hebben zij meer het gevoel deel uit te maken van de zitting. In dit artikel wil ik mij daarom richten op het taalgebruik in de zitting.

Elite culture

Uit Nederlandse literatuur blijkt dat veel jongeren grote moeite hebben om te begrijpen wat er precies gebeurt voor en tijdens hun rechtzitting. Ze kennen de regels van de zitting niet, ze weten niet wat ze van de zitting moeten verwachten en voor sommigen is het na afloop niet eens duidelijk wat voor straf ze hebben gekregen (Eggermont, Beter dan zitten, pp. 77-86). Ook zijn veel jongeren geïntimideerd door de situatie en hebben ze vaak het gevoel dat er niet naar hen wordt geluisterd. ‘Veel jongeren ervaren de rechtszitting en wat daaraan vooraf gaat “als een onontwarbare kluwen van regels, personen en procedures”.’ (Oude Breuil en Post, p. 178)

De ondoorzichtigheid van de strafzitting wordt aan verschillende oorzaken toegeschreven: het gebruik van te veel jargon, het gebrek aan ‘echte’ communicatie, het rituele karakter van de zitting en de machtsposities van de rechters (Komter). Oude Breuil en Post vatten deze verschillende aspecten binnen één kader. Zij verklaren het gebrek aan transparantie van de strafrechtspleging met behulp van het begrip elite culture. Volgens hen voldoet de magistratuur aan de definitie die Abner Cohen aan elite geeft:

An elite is a collectivity of persons who occupy commanding positions in some important sphere of social life, and who share a variety of interests arising from similarities of training, experience, public duties, and way of life.(Cohen, in Oude Breuil en Post, p. 164)

De setting waarbinnen de rechtspraak plaatsvindt is een ‘specifieke, uniforme culturele context’ met een specifiek taalgebruik en specifieke rituelen en gedragsregels (Oude Breuil en Post). De magistratuur kent haar eigen wereldje, de leden komen meestal uit dezelfde sociaal-economische klasse en hebben tot op zekere hoogte eenzelfde levensstijl. De magistratuur bezet bovendien een belangrijke positie in het sociale leven: zij gaat over de rechtspraak.

Macht speelt in een elitecultuur een belangrijke rol. De macht of invloed van de rechters bestaat eruit dat zij de regels interpreteren die bepalen of iemand de wet heeft overtreden of niet. Bovendien kunnen de beslissingen die zij nemen grote gevolgen hebben voor het leven van degenen die worden berecht. Om deze macht uit te kunnen oefenen en te behouden moet de elite group twee doelen verwezenlijken (Cohen, XIII). Aan de ene kant moeten ze hun positie in stand houden en veiligstellen en aan de andere kant moeten ze zichzelf naar het publiek toe legitimeren. Om beide doelen te bereiken moet de elite group tot op zekere hoogte een eenheid vormen binnen de eigen groep, de rechters, en tot op zekere hoogte de officiers van justitie en andere mensen die in de strafrechtspleging werken, en de gelederen sluiten voor buitenstaanders, degenen over wie zij hun macht uitoefenen. Dit gebeurt door een setting te creëren, met specifieke regels en rituelen, die door de leden van de groep gedeeld wordt, maar die ontoegankelijk is voor buitenstaanders (Oude Breuil en Post). 

Taalgebruik tijdens de zittingen

Taal is een van de aspecten die de elitecultuur bevestigt en de scheiding tussen insiders en outsiders kan versterken. De insiders in de rechtbank hebben een gedeelde taal die deel uitmaakt van de elitecultuur. Oude Breuil signaleert dit ook in haar onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming: 

Door het spreken van een bepaalde taal en het op een bepaalde manier omgaan met taal trekken raadsmedewerkers grenzen tussen ‘wij’ – de Raad en zijn medewerkers – en ‘zij’ – de buitenstaanders: cliënten, ouders en het bredere publiek. (p. 34)

De insiders zijn bekend met het jargon, terwijl de outsiders dat meestal niet of een stuk minder zijn. Dit geldt specifiek voor jongeren. In hun omgeving wordt een andere, informelere taal gesproken. Ze kennen niet van die ‘deftige en moeilijke woorden’ zoals de mensen die in de strafrechtspleging werken die wel kennen en gebruiken.

In mijn eigen onderzoek heb ik gemerkt dat jongeren inderdaad veel moeite kunnen hebben met de taal die in de rechtbank gesproken wordt. Volgens veel van mijn informanten die op professioneel vlak met de beklaagde jongeren te maken hadden, begrijpen jongeren vaak niet wat er tijdens hun zitting gezegd wordt.1 Ze zijn niet gewend aan het taalgebruik, ze zijn vaak zenuwachtig en er wordt ook erg snel gesproken. 

Wanneer de rechter, advocaat of officier van justitie tegen de jongere praat, dan gebruikt deze meestal niet al te moeilijke woorden en dat begrijpen de jongeren wel. Maar tijdens andere delen van de zitting, wanneer de professionals zich tot elkaar richten zoals tijdens het voorlezen van de aanklacht, begrijpen jongeren vaak niet wat er bedoeld wordt. Dat kan tot gevolg hebben dat ze hun aandacht verliezen. Zoals Maria, die over de officier van justitie zei: ‘Nou, hij praatte een beetje snel en een beetje moeilijk, dat snapte ik niet zo. Ik begreep niet goed wat hij wou zeggen en toen, nou ja, toen had ik ook geen zin meer om op te letten.’ (Interview met Maria, op 17-11-2004, Barcelona) Het verhaal op zich is meestal niet erg ingewikkeld, maar er worden veel woorden en begrippen gebruikt die voor de jongeren veelal onbekend zijn.

In mijn onderzoek heb ik gezien dat het taalgebruik tijdens de zitting voor een groot deel afhankelijk is van de zittende rechter en in mindere mate ook van de andere actoren tijdens de zitting. Binnen de vaststaande structuren en regels van de zitting heeft de rechter de vrijheid om de zitting zo in te richten zoals hij deze geschikt acht. Bepaalde aspecten zijn vastgelegd in de wet, zoals de structuur voor het verloop van de zitting. Bij andere zaken, zoals de communicatie, waaronder het taalgebruik, hebben de rechters veel vrijheid. Sommige rechters houden daarbij veel rekening met de leeftijd van de jongere, andere rechters een stuk minder. 

Conclusie

Op de vraag of het taalgebruik tijdens de zitting jongeren helpt of belemmert in het begrip met betrekking tot hun zitting is geen eenduidig antwoord te geven. In de strafrechtspleging bestaat een elitecultuur die buitenstaanders, waaronder de beklaagden, buitensluit. Een specifiek taalgebruik maakt deel uit van deze elitecultuur. De buitenstaanders zijn vaak niet bekend met dit taalgebruik en kunnen veel moeite hebben met de taal die in de rechtbank gesproken wordt. Het taalgebruik tijdens de zittingen is echter voor een deel afhankelijk van de zittende rechter, de officier van justitie en de advocaat. Ze gebruiken niet allemaal in dezelfde mate de taal die bij de elitecultuur hoort. Of er in het taalgebruik rekening wordt gehouden met de jongere hangt dus deels af van welke mensen hij in de rechtszaal treft.

Noten

1. Interview met Francisco Segura, ex-kinderrechter, op 13-10-2004, Lleida; interview met Bonaventura Baró, medewerker van de afdeling uitvoering van half-open strafmaatregelen, op 27-10-2004, Barcelona; interview met Angels, medewerkster van het equipo técnico (vergelijkbaar met de strafrechterlijke afdeling van de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland) op 17-11-2004, Barcelona; interview met Nuria en Claudia, medewerksters van het equipo técnico, op 19-11-2004, Barcelona.

Leave a Reply

Your email address will not be published.