Organizational discourse in de affaire Lubbers

'I ushered the lady out of the room with my hand on her back. And that was all.'

Organizational discourse in de affaire Lubbers

'I ushered the lady out of the room with my hand on her back. And that was all.'

De zaak Ruud L.

Op 26 april 2004 deed Cynthia B. aangifte van seksuele intimidatie jegens Ruud Lubbers. Aanleiding hiervoor was een incident dat op 18 december 2003 plaatsvond tussen haar en Lubbers. Cynthia B. was op dat moment een VN-ambtenaar bij de dienst Staff Development and Training Section van het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen. Lubbers was daar werkzaam als Hoge Commissaris. Cynthia B. beschuldigde Lubbers van seksuele intimidatie, Lubbers daarentegen zei dat hij slechts een vriendschappelijk gebaar had gemaakt. In mei 2004 gaf OIOS het vertrouwelijke onderzoeksrapport aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan. Dit rapport achtte Lubbers schuldig, maar op 15 juli 2004 verklaarde Annan Lubbers onschuldig. Wel gaf hij Lubbers een uitbrander over de manier waarop Lubbers met de situatie was omgegaan. Lubbers schreef de vrouw een brief waarin hij haar vroeg de beschuldiging terug te trekken. Daarbij beloofde hij dat dit geen negatieve consequenties voor haar zou hebben. De vrouw ging in beroep tegen de uitspraak van Annan, maar trok dit later in. 

Na de aangifte ontstond er een arbeidsklimaat waar de medewerkster niet langer tegen was bestand. Vanaf juli 2004 zat ze thuis. In oktober ging ze weer aan de slag, nadat duidelijk was geworden dat Lubbers geen maatregelen te vrezen had. De zaak leek hiermee met een sisser te zijn afgelopen maar in februari 2005 laaide alles weer op nadat The Independenteen kopie van het OIOS-rapport in de krant plaatste. Op 20 februari deed Lubbers afstand van zijn functie als Hoge Commissaris, nadat Annan en Malloch Brown hier op hadden aangedrongen. Maar wie had er nou gelijk? Cynthia B. of Ruud L.?

Organizational discourse

Ondanks de vele pogingen is het niemand gelukt om overeenstemming te bereiken over het antwoord op de vraag wie er schuldig is in deze zaak. Is Lubbers schuldig aan seksuele intimidatie of is Cynthia B. schuldig aan laster? Nu hoopt u misschien dat er in dit artikel na een grondige analyse een duidelijk antwoord valt te geven op deze vraag. Het zou de wereld wellicht weer een beetje overzichtelijker maken. Indien dit het geval is, moet ik u helaas teleurstellen. Wat ik wel kan doen is via organizational discoursebeschrijven hoe teksten de sociale realiteit vormen in berichtgeving rondom de beschuldigingen van seksuele intimidatie door Ruud Lubbers. Dé waarheid valt dus niet te achterhalen, maar wel hoe de media niet alleen louter passief dit onderwerp beschrijven, maar zelf ook actief waarheid creëren. Maar wat is organizational discourse dan precies en hoe kan dit ons helpen?

Bij organizational discourse (taalgebruik in organisaties) gaat het erom hoe mensen door middel van discourse elke dag deel uitmaken van grote, gecoördineerde, institutionele structuren. De organizational discourse gaat ervan uit dat organisaties alleen bestaan voor zover de leden van deze organisaties gemeenschappelijkheid creëren via discourse. Leden bepalen dus de samenhangende sociale realiteit binnen een groep met daarin hun eigen positie (identiteit) door middel van discourse.

Bij de studie van de organizational discourse kijkt men naar de relatie tussen alledaagse institutionele gesprekken en grotere sociale structuren. Onderzoekers kijken hoe communicatie tegelijkertijd de expressie en de creatie van een structuur binnen een organisatie kan vormen. Deze communicatie kan in elke vorm worden geuit: telefoongesprekken, discussies, vergadering, verkoperspraatjes, et cetera.

Twee benaderingen

Binnen de studie van organizational discourse zijn er twee benaderingen: de culturele of verklarende benadering en de kritische benadering. Beiden richten zich op de relatie tussen discourse en de creatie van sociale realiteit (tekst bepaalt hoe we de wereld zien).

a) De culturele benadering zit meer op een beschrijvend niveau en richt zich op de manier waarop veel tekstuele uitingen van leden van een organisatie bijdragen tot de ontwikkeling van gedeelde bedoeling. Het voornaamste doel van deze benadering is om aan de ene kant de gedeelde waarde en normen van een organisatie aan te tonen en aan de andere kant de middelen waarop deze waarde en normen worden overgebracht op een ander te doorgronden.

b) De kritische benadering is ook gericht op hoe discourse de sociale realiteit creëert, maar kijkt daarbij meer naar macht en controle in organisaties. Studies van kritische discourse zien organisaties niet als simpele, sociale, collectieve eenheden, waarbij een gedeelde mening wordt geproduceerd, maar meer als een plek waarbij verschillende groepen strijden om de sociale werkelijkheid zo in te delen dat hun eigen belangen het beste naar voren komen. Dit is bijvoorbeeld goed te zien bij de volgende situatie. Aan de ene kant staat het bestuur van een bedrijf die trouwe werknemers wil met hart voor de zaak en aan de andere kant staan de werknemers zelf die minder uren willen hebben en meer loon. Tekstuele en symbolische middelen helpen hier om een machtige positie in deze sociale realiteit te krijgen. Als het bestuur bijvoorbeeld een impopulaire beslissing moet nemen zoals verlaging van de lonen, kunnen ze dat tekstueel gezien slim verpakken door te wijzen op de opofferingsgezindheid van de werknemers voor het bedrijf als ze deze verlaging zonder klachten accepteren. Werknemers kunnen hart voor ‘t bedrijf tonen (Mumby en Clair, 1997).

Tekstuele middelen om sociale realiteit te creëren

Er zijn dus verschillende tekstuele middelen die een bepaalde sociale realiteit kunnen creëren. In het geval van berichtgeving rondom seksuele intimidatie kan men spreken van twee perspectieven. Óf de vrouw wordt als slachtoffer gezien óf de man. In het laatste geval wordt de vrouw als dader van laster gezien. Dit perspectief noem ik in dit artikel het mannelijk perspectief. In mijn onderzoek naar berichtgeving over seksuele intimidatie ben ik de volgende acht middelen tegengekomen die dit mannelijk perspectief onderschrijven:

1. Het tegenovergestelde overdrijven

Deze indicator gaat uit van een overdreven interpretatie van de veronderstelling dat de man wel schuldig is aan ongewenste intimiteiten. Door theatrale bewoordingen wordt het idee dat ermee wordt uitgedrukt belachelijk gemaakt. Op deze manier wordt de veronderstelling dat de man schuldig is op subtiele manier minder aannemelijk gemaakt. Zie onderstaand voorbeeld: 

‘(…) dus geen aanrakingen meer, en zeker geen complimenten over uiterlijk. En als je vrouwelijke collega’s toch in open ‘gleuf-gevende’ blouses, naveltruitjes, korte rokken of rokken met hoog split blijven verschijnen, geef ze dan onmiddellijk aan bij het meldpunt uitlokking ongewenste intimiteiten. Dat geldt natuurlijk ook voor alle vrouwen die in advertenties suggereren dat je iets van hun seksualiteit meegeleverd krijgt als je die bepaalde auto koopt. Kortom, misschien moeten we toch maar eens serieus gaan nadenken over zo’n allesbedekkende islamitische samenleving.’ (René Diekstra ophttp://www.platformseksueleintimidatie.nl, maart 2005)

2. Ik denk dit en dat is het

Door eerst een eigen veronderstelling neer te zetten en daarachter op een zogenaamde objectieve wijze te zeggen dat ‘het zo was’ (ik deed dat en dat was alles), wordt er indirect voor gezorgd dat deze visie geloofwaardiger overkomt. In een zin hebben de laatste woorden ook de meeste focus dus dat komt sterker naar voren. Door te zeggen dat het voorafgaande klopt, wordt er gedaan alsof dat een objectief oordeel is, maar dat kan niet want de man zegt het zelf. Zie bijvoorbeeld de volgende zin uit een nieuwsconferentie volgend op een vergadering met Annan op de vrijdag voor Lubbers’ ontslag.

‘I ushered the lady out of the room with my hand on her back. And that was all.’ 

3. Zwartmaken van de beschuldigende vrouw

Er wordt hierbij gezegd dat de vrouw veel problemen heeft en hierdoor niet alles op een rijtje heeft. Uitspraken en beschuldigingen die zij doet kunnen dus ook niet serieus genomen worden. Dit neigt sterk naar de drogreden ad hominem.

4. De vrouw als verleidster

Vrouwen worden in deze indicator tentoongespreid als verleidelijke types (Ryan, 1976 in Wood en Rennie) die ervoor hebben gezorgd dat de mannen zich niet konden inhouden. De schuld en macht in de situatie komen dan bij de vrouw te liggen. De man wordt gezien als een soort willoos slachtoffer in de handen van de vrouw.

5. De aandacht wordt verschoven naar andere zaken

Er wordt van het onderwerp seksuele intimidatie/ongewenste intimiteiten afgeweken door te zeggen dat er belangrijkere zaken zijn. Hierdoor wordt het voorafgaande als onbeduidend en minder belangrijk gezien.

6. De vrouw heeft het verkeerd geïnterpreteerd

Wat er gebeurde was niet seksuele intimidatie zoals wij dat over het algemeen tegenkomen in bijvoorbeeld de media. Het was maar iets anders: een gemoedelijke vergadering waarbij de vrouw vriendelijk en hartelijk werd uitgelaten. Er wordt gedaan of er sprake is van een misverstand. Iemand dacht dat het seksuele intimidatie was, maar dat heeft iemand verkeerd gezien. Het was namelijk vriendschappelijk bedoeld.

‘You could call it familiar, but certainly not sexual harassment.’ (http://newsvote.bbc.co.uk, 20 februari 2005)

7. Vaag houden

Door niet in duidelijke bewoordingen weer te geven wat er precies gebeurd is, lijkt er ook minder aan de hand te zijn. Woorden als ‘het’ en ‘vriendschappelijk gebaar’ houden de inhoud vaag. 

8. Bepaalde woorden

Door bepaalde woorden te kiezen die hetzelfde betekenen maar een vriendelijkere connotatie hebben dan andere woorden kan het mannelijk perspectief subtiel gepromoot worden. Een ‘hand op een schouder’ klinkt net iets gevaarlijker dan een ‘vriendschappelijk gebaar’. Daarnaast klinkt ‘could’ veel zachter dan ‘can’. Zie weer het volgende voorbeeld:

‘You could call it familiar, but certainly not sexual harassment.’

Analyse bronnen

Nu we een idee hebben van de manieren waarop een realiteit tekstueel kan worden beschreven en gecreëerd, is het tijd om naar verschillende bronnen te kijken die berichten over de beschuldiging van seksuele intimidatie door Ruud Lubbers. Als lezer kunt u zien welke van de acht bovenstaande tekstuele middelen gebruikt zijn. Daarnaast vindt u wellicht ook een aantal middelen die boven of in de analyse niet genoemd zijn.

Nova: Annan spreekt Lubbers vrij van seksueel misbruik (15 juli 2004)

‘Secretaris-generaal Kofi Annan van de Verenigde Naties heeft UNHCR-leider Ruud Lubbers donderdag vrijgesproken van seksuele intimidatie. Een dergelijke klacht van een medewerker tegen de Hoge Commisaris voor de Vluchtelingen valt niet te bewijzen, aldus Annan. (…) Lubbers, een van de hoogste personages binnen de VN, heeft steeds ontkend iets verkeerd te hebben gedaan. Volgens hem ging het om een “vriendschappelijk gebaar”. (…) De uitspraak dat hij onschuldig is aan seksuele intimidatie beschouwt hij als een bevestiging van wat hij eerder heeft verklaard. Daaraan heeft Lubbers niets toe te voegen, zei zijn woordvoerster, behalve dat hij belangrijker dingen aan zijn hoofd heeft “zoals een oplossing zoeken voor de 17 miljoen vluchtelingen en ontheemden in de wereld.” (…) VN-functionarissen hebben echter bevestigd dat Lubbers de vrouw een brief naar haar privé-adres had gestuurd waarin hij haar vroeg de klacht in te trekken en haar bescherming beloofde tegen eventuele represailles.’ 

Analyse: het eerste duidelijke voorbeeld van het mannelijk perspectief is ‘vriendschappelijk gebaar’. Hier wordt gedaan of de vrouw alles verkeerd geïnterpreteerd heeft. Daarbij wordt wat er precies gebeurd is, door Lubbers niet expliciet gezegd. Het wordt vaag gehouden. Verderop in dit artikel wordt de aandacht verschoven in ‘behalve dat…de wereld’. Nu komt Lubbers opeens naar voren als weldoener omdat hij bezorgd is om de vluchtelingen, maar daar ging het in dat interview niet om. Op het eind wordt een brief vermeld waarin Lubbers haar ‘bescherming beloofde tegen eventuele represailles’. Op subtiele wijze wordt de schuld bij de vrouw gelegd. Alsof het al duidelijk is dat zij schuldig is (zie ook de woorden: eventuele represailles) en dat zij dankbaar moet zijn dat Lubbers haar bescherming wil bieden. De vrouw wordt zo zwartgemaakt.

Nova: Lubbers woedend op onderzoekers VN (28 mei 2005)

‘De 65-jarige Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen zegt zich inderdaad nog één geval te herinneren. “Hoewel ook daar op geen enkele wijze sprake was van seksuele intimidatie, realiseerde ik me destijds wel dat de betrokkene zich niet op haar gemak voelde. Daarom heb ik haar mijn excuses, zelfs schriftelijk, aangeboden.” In de brief ontkent Lubbers opnieuw dat hij schuldig is aan seksuele intimidatie. Volgens The New York Times heeft hij de medewerkster die de klacht heeft ingediend in de billen geknepen. Lubbers, die dat vorige week al ontkende, schrijft nu dat hij de vrouw aan het einde van een “gemoedelijke” vergadering “vriendelijk en hartelijk” uitliet. “Ik beschouwde dat, en doe dat nog altijd, als een vriendschappelijk gebaar,” zo schrijft de oud-premier. “Ik geloof dat zij dit verkeerd heeft begrepen en dat misverstand betreur ik. Het staat buiten kijf dat indien ik op dat moment zou hebben beseft dat een vriendschappelijk gebaar van mij zou kunnen (hebben) gevoeld als ongepast, ik mij van dat vriendschappelijke gebaar had onthouden. Kortom: dat spijt mij zeer.” Het misverstand is volgens Lubbers mogelijk mede te wijten aan een andere collega, die buiten de vergadering om op een grappige manier naar het incident verwees. “Het lijkt erop dat dit mijn vriendschappelijke gebaar een andere, niet bedoelde betekenis heeft gegeven.” Dat de affaire Lubbers erg aangrijpt, blijkt uit het einde van de brief. “Aan deze nachtmerrie zit zeker een persoonlijke dimensie. Maar mijn zorg op dit moment betreft UNHCR en jullie, de medewerkers. Wij gaan door met het beschermen en bijstaan van vluchtelingen en blijven dat doen.” (bron:http://www.nosnieuws.nl)

Analyse: door met nadruk te zeggen dat hij ‘zelfs schriftelijk’ zijn excuses heeft aangeboden wordt de indruk gewekt dat Lubbers er alles aan heeft gedaan om oprecht te communiceren. Als men dan nog steeds denkt dat Lubbers zich schuldig maakt aan seksuele intimidatie dan ligt dat in ieder geval niet aan hem. Via het woord ‘opnieuw’ wordt extra benadrukt dat er volgens Lubbers absoluut geen sprake is van seksuele intimidatie. Aangezien Cynthia B. zelf zo min mogelijk over deze zaak kwijt wil in de media, hoort men dus meer argumenten voor zijn onschuld dan tegen door de mensen die uit eerste hand kunnen vertellen wat er precies gebeurd is. Via het stukje ‘ik geloof…betreur ik’ wil Lubbers duidelijk maken dat het gewoon allemaal berust op een misverstand. Woorden als ‘gemoedelijk’, ‘vriendschappelijk’ en ‘hartelijk’ moeten dit onderstrepen. Bij ‘het misverstand…heeft gegeven’ legt Lubbers verder uit hoe het komt dat het gebaar verkeerd begrepen is. Daarbij verschuift hij de aandacht van zichzelf naar ‘een andere collega’. Aan het eind van de brief wordt de aandacht weer verschoven via ‘maar mijn…blijven dat doen’.

Vrij Nederland, 26 februari 2005, p. 12, auteur Rudie Kagie:

‘Niet alleen Lubbers zette haar onder druk om de klacht in te trekken. Collega’s vermeden het contact, Lubbers-getrouwen beschuldigden haar van “verraad”. Zo kwam de roddelmachine op gang. Op de werkvloer was algemeen bekend dat het privéleven van Cynthia door zware beproevingen werd ontwricht. Haar dochter pleegde in het najaar van 2003 zelfmoord, daarna volgde een echtscheiding, ten slotte brandde haar huis af. Omdat ze niet tegen brandschade verzekerd was, werd gefluisterd dat haar actie tegen Lubbers wel op financiële wanhoop zou berusten. Ze dacht natuurlijk dat ze de Verenigde Naties een poot uit kon draaien, maar zoiets werkt bij dit gezaghebbende instituut anders dan in Amerika, waar Cynthia vandaan komt.’

Analyse: Ondanks de korte zin vooraf waarin wordt aangekondigd dat de ‘roddelmachine op gang kwam’, is hier duidelijk sprake van ‘zwartmaken van de beschuldigende vrouw’. Het komt over als een argumentum ad hominem.

Vrij Nederland, 26 februari 2005, p. 15, auteur Max van Weezel:

‘Verraden voelde de Hoge Commisaris zich door Kofi Annan, die eerst zijn energieke inzet voor de vluchtelingen had geprezen en hem nu als een baksteen liet vallen. Terwijl iedereen die Lubbers kende toch kon weten “dat in zijn vrouwvriendelijkheid hoffelijkheid en hartelijkheid de sleutelwoorden zijn” (de Hoge Commissaris afgelopen vrijdag). Stand by your man, moet zijn echtgenote Ria hebben gedacht. De oud-premiersvrouw haalde hard uit naar Cynthia B., de Amerikaanse employé die haar superieur van seksuele intimidatie had beticht. “Deze mevrouw zat privé diep in de problemen en mijn man heeft haar alleen willen troosten,” vertrouwde Ria Lubbers een verslaggever van Het Parool toe: “De dochter van deze vrouw had zelfmoord gepleegd en het huis van haar moeder in brand gestoken. (…) Ruud wist daarvan en heeft een arm om haar heen geslagen en gezegd: ik hoop dat je volgend jaar een beter jaar krijgt.” (…) Terecht beklagen Ruud en Ria Lubbers zich dezer dagen over de benepen moraal die in het Amerika van George Bush heerst, over de “verkrampte manier waarop mannen en vrouwen in dat land met elkaar omgaan.”

Analyse: Met ‘dat in…sleutelwoorden zijn’ wordt aangegeven dat Lubbers verkeerd is geïnterpreteerd. Woorden als ‘hoffelijkheid’ en ‘hartelijkheid’ ondersteunen dit standpunt. Ria Lubbers staat haar man bij door ‘deze mevrouw…willen troosten’. Op deze manier maakt ze duidelijk dat Lubbers verkeerd is geïnterpreteerd en tegelijkertijd maakt ze de vrouw een tikkeltje zwart. Door het woord ‘terecht’ te gebruiken zorgt de journalist Max van Weezel ervoor dat het mannelijk perspectief meer steun krijgt.

Conclusie

In dit artikel is onderzocht hoe via discourse (krantenartikelen, internetartikelen en columns) de sociale realiteit rondom de seksuele intimidatie-affaire van Lubbers is weergegeven en gecreëerd. Via de bestudeerde teksten is duidelijk te zien dat verschillende groepen strijden om de sociale werkelijkheid zo in te delen dat hun eigen belangen het beste naar voren komen. Deze bronnen zijn afkomstig van kranten en nieuwsinstituten die een hoog aanzien genieten. Ik ben me er echter van bewust dat er voor een completer beeld meer bronnen geraadpleegd hadden moeten worden. Toch denk ik dat het een goede indicatie kan geven. 

Dit artikel laat zien dat er in zaken betreffende ongewenste intimiteiten twee perspectieven zijn waarop men hier tegen aan kan kijken: het mannelijk en het vrouwelijk perspectief. Bij de berichtgeving rondom de beschuldiging van Cynthia B. van seksuele intimidatie door Lubbers is in deze nota gekeken naar het mannelijk perspectief. Dit gaat ervan uit dat er helemaal geen sprake is van seksuele intimidatie. Het was gewoon een vriendschappelijk gebaar van Lubbers.

Er zijn acht indicatoren gebruikt om een andere sociale realiteit te creëren. Het viel op dat Lubbers vooral gebruikmaakt van de middelen: ‘de vrouw heeft het verkeerd geïnterpreteerd’, ‘de aandacht wordt verschoven’ en ‘bepaalde woorden’.

Op indirecte wijze zorgen Lubbers, zijn vrouw Ria Lubbers en de desbetreffende journalisten ervoor dat het mannelijk perspectief in de bestudeerde bronnen de overhand krijgt. Het feit dat Cynthia B. ervoor heeft gekozen om zo min mogelijk in het nieuws te komen, heeft mijns inziens Lubbers en zijn aanhangers de ruimte gegeven om, vooral bij de Nederlandse berichtgeving, de sociale realiteit via de acht beschreven indicatoren meer in zijn voordeel te creëren.

Noten en/of literatuur

Clair, R.P., ‘The use of framing devices to sequester organizational narratives: hegemony and harassment’, in: Communications Monographs, 60, 1993, pp. 113-136.

Gruyter, C. de en R. van de Roer, ‘Het geheime dossier van Ruud Lubbers’, in: NRC Handelsblad, 16-04-2005, p. 7.

Kagie, R., ‘De VN-maffia’, in: Vrij Nederland, 26-02-2005, pp. 12-13.

Mackinnon, C.A., Sexual harassment of working women, New Haven, CT, 1979.

Mumby, K. en R.P. Clair, ‘Organizational Disourse’, in: T.A. van Dijk (red.), Discourse Studies: a Multidisciplinary Introduction, vol. II, London, 1997, pp. 181-205.

Weezel, M. van, ‘Seksuele kwelgeest’, in: Vrij Nederland, 26-02-2005, p. 15.

Wood, L.A. en H. Rennie, ‘Formulating rape: the discursive construction of victims and villains’, in: Discourse & Society, vol. 5, 1, London, 1994, pp. 125-148.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *