Een AI’er met het bahá’í-geloof

Wetenschap en religie gaan goed samen

Een AI’er met het bahá’í-geloof

Wetenschap en religie gaan goed samen

Ik kwam voor het eerst met de bahá’ís in aanraking toen ik in 1990 in Swaziland (Afrika) werkte. Ik was zeer verbaasd dat ik nog nooit van dit geloof had gehoord terwijl ik toch in Amsterdam was geboren en getogen. In Amsterdam gebeurt toch alles? Jahoor, ook in Amsterdam bleken er bahá’ís te wonen. Alleen waren het er niet zoveel en waren ze niet zo zichtbaar als bijvoorbeeld de hare krisjna’s. Als een religie zo onbekend is denken mensen vaak dat het een geheimzinnige sekte is. Het tegendeel is echter waar. Iedereen kan bahá’í worden en bahá’ís kunnen ook hun lidmaatschap weer opzeggen. We mogen ons geld ook allemaal houden, en in het geval van een conflict tussen familie- en geloofsverplichtingen wordt de bahá’ís aangeraden hun familie prioriteit te geven! Alles bij elkaar is bahá’í dus geen enge sekte. 

Het bahá’í-geloof is een echte wereldgodsdienst met zo’n zes miljoen aanhangers verspreid over letterlijk de hele wereld. Waarschijnlijk is het belangrijkste principe van de bahá’ís het geloof in de eenheid van de mensheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat er niet gediscrimineerd mag worden op basis van ras, geslacht of godsdienst. Een gevolg van het basisprincipe van de eenheid van de mensheid is dat we geloven dat de verdeling van de wereld in aparte landen op den duur zal verdwijnen. We geloven dat er een wereldregering komt zoals er nu een Europees parlement is voor Europa. Dat betekent niet dat alle autonomie in de diverse gebieden en landen moet worden opgegeven. Het betekent wel dat we zullen gaan beseffen dat we onderdeel zijn van een groter geheel en elkaar zien als bondgenoten in plaats van concurrenten. In het algemeen zijn bahá’ís meer geneigd om naar overeenkomsten of raakvlakken te zoeken dan naar verschillen. Dit komt op allerlei vlakken terug1.

In dit forum is het interessant om te zien hoe bahá’ís denken over de verhouding tussen wetenschap en religie. Wij geloven dat religie en wetenschap met elkaar in overeenstemming horen te zijn. Schijnbare tegenstellingen zijn een gevolg van gebrekkige kennis of verkeerde interpretatie van mensen. Het idee is dat religie en wetenschap complementaire manieren zijn om de werkelijkheid te begrijpen. Hierbij gebruikt de wetenschap een soort bottom-upaanpak (uitgaande van waarneembare feiten) terwijl de religie een top-downaanpak hanteert. Er worden in alle wereldgodsdiensten door de profeten hypotheses verkondigd, waarbij het aan de wetenschap is om die langzamerhand te doorgronden en te onderbouwen. Als er dus een schijnbare tegenstelling is tussen wat de wetenschap aantoont en wat door een religie wordt verkondigd, dan ligt dat vaak aan de (beperkte) interpretatie die de mensen aan die specifieke openbaring hebben toegekend. Soms ligt het aan de beperkte stand van de wetenschap.

Komt dit nu direct terug in mijn werk als wetenschapper? Eigenlijk wel. Voor iemand die zich bezighoudt met kunstmatige intelligentie is er natuurlijk altijd de vraag in hoeverre computers menselijke intelligentie kunnen simuleren. Zonder op alle details in te gaan geloof ik vanuit mijn bahá’í-achtergrond dat mensen iets extra’s hebben, een spirituele dimensie. Deze dimensie kan niet door computers worden gesimuleerd. Betekent dat dan dat het hele vakgebied van de kunstmatige intelligentie een hopeloze quest is? Misschien wel bij het doel om mensen te simuleren. Persoonlijk vind ik het juist interessant om te zien hoe ver we kunnen komen om een beter beeld te krijgen van dat deel dat we niet kunnen simuleren (omdat we het nog niet kunnen begrijpen en formaliseren). Stel nu dat we over geruime tijd toch in staat zijn om het menselijke brein volledig op een computer te simuleren. Waar blijf ik dan met mijn spirituele dimensie van de mens? Waarschijnlijk is dat de tijd waarop ik mijn interpretatie van wat spiritualiteit precies is, moet herzien. Gelukkig zal dat in mijn leven niet gebeuren, want de eerstkomende vijftig jaar komen we nog niet zo ver. Hopelijk zal het voor de bahá’ís van die tijd wel iets makkelijker zijn om hun interpretatie te herzien dan voor de katholieken die er wel heel lang over deden om te erkennen dat de zon niet om de aarde draait, maar de aarde om de zon. 

Een andere eigenschap die het bahá’í-geloof bijzonder en eigentijds maakt, is het feit dat het geen priesters kent. Er zijn dus geen mensen met een bijzondere status en autoriteit ten opzichte van de leer van het geloof. Ieder mens moet kijken met zijn eigen ogen en zijn eigen beslissingen maken. In de huidige tijd kan iedereen lezen en dus zelf de bronnen van de religie bestuderen. Er is geen noodzaak voor een aparte groep van geestelijken, die opgeleid worden om de geschriften uit te leggen en die ook als enige de autoriteit bezitten om dit te mogen doen. Het heeft wel tot gevolg dat de bahá’ís een grotere verantwoordelijkheid hebben om zelf de geschriften te bestuderen. Je kan niet op zondag naar de kerk gaan en luisteren naar wat de priester over een bepaald hoofdstuk heeft te zeggen. Het betekent niet dat bahá’ís niet samenkomen om de geschriften te bestuderen, maar alleen dat er op deze bijeenkomsten niemand is die de waarheid in pacht heeft. In dit opzicht zijn er veel overeenkomsten met de wetenschappelijke wereld. Ook daar heb je geen speciale groep die het alleenrecht heeft op de ontwikkeling van de wetenschap. Wat natuurlijk wel gebeurt, is dat sommige mensen een autoriteit krijgen toegedicht vanwege hun grote kennis op een bepaald gebied. In het ergste geval leidt dit tot een kritiekloos volgen van alle theorieën van zo iemand. Voor de bahá’í-gemeenschap is het belangrijk om iedereen zo veel mogelijk instrumenten voor kritisch denken te geven en te proberen mechanismen te ontwikkelen waarmee het gevaar dat iemand klakkeloos alles van de een of andere goeroe aanneemt geminimaliseerd wordt. Hierbij is bijvoorbeeld de manier waarop de communicatie binnen bijeenkomsten geregeld wordt belangrijk. Als iedereen ongeveer evenveel aan het woord is, is de kans dat een persoon de bijeenkomst domineert kleiner. Een aantal van deze ideeën zijn gevat in het mechanisme van de ‘consultatie’, dat bahá’ís tijdens hun bijeenkomsten trachten te gebruiken.

Een laatste persoonlijke noot in dit stuk gaat over het bahá’í-geloof in Iran, het land van zijn oorsprong. In Iran worden bahá’ís gezien als afvallige moslims. Ze worden dan ook op allerlei manieren vervolgd. Voor mij was het behoorlijk emotioneel om familie te ontmoeten van een meisje dat, puur omdat zij bahá’í was, ter dood is gebracht. En om jonge mensen te ontmoeten die niet naar de universiteit kunnen omdat ze bahá’í zijn. Voor ons is iemands geloof iets heel persoonlijks dat op geen enkele manier invloed heeft op zijn professionele leven, maar op die momenten zie je dat dit zeker niet voor iedereen geldt! Het is echter ook heel indrukwekkend als je ziet hoe bahá’ís in Iran hiermee om gaan. Ze hebben een semi-illegale universiteit opgericht waarin zij toch kunnen studeren. Het diploma wordt niet door de regering in Iran erkend, maar er zijn nu constructies met een paar buitenlandse universiteiten waardoor de studenten toch via een omweg een diploma kunnen behalen. Ze moeten echter wel nog minstens een jaar in het buitenland aan die universiteit studeren. Niet iedereen heeft daar de mogelijkheden toe. Je zou dus kunnen zeggen dat de studenten die hun volledige studie op de bahá’í-universiteit doen voor niets studeren. Want zonder diploma kom je nergens. Echter deze studenten zeggen terecht dat het niet gaat om het diploma, maar om de kennis die we opdoen. Die kennis is altijd nuttig. Ik zou willen dat we onze studenten ook wat beter bij zouden kunnen brengen dat de kennis centraal staat en dat het diploma daar alleen een afgeleide van is in plaats van andersom! 

Noten

1. Voor een goed overzicht van het bahá’í-geloof inclusief alle geschriften ziehttp://www.bahai.org/

Leave a Reply

Your email address will not be published.