Help! Ik durf niet te bewegen

Help! Ik durf niet te bewegen

Stel je voor: je komt dagen achtereen thuis met flinke rugklachten, die worden afgewisseld met pijn in armen en benen. Na een lange en onzekere periode krijg je de diagnose fybromyalgie: ook wel ‘weke-delenreuma’ genoemd. Nu je weet wat je hebt, ga je het rustiger aan doen om de pijn te verminderen. Langzaam maar zeker begin je elke activiteit die belastend is voor je spieren te vermijden, waardoor je je steeds vermoeider en somberder begint te voelen. Je blijft zoveel mogelijk thuis en vermijdt beweging, met alle gevolgen van dien. Je bent er van overtuigd dat alles wat je doet schade aan je lichaam toebrengt…

Drie jaar lang stond het leven van deze patiënte letterlijk stil. Als ze bewoog, dan had ze hevige pijn. Dit was voor haar een teken dat ze moest stoppen met bewegen. Inmiddels weet ze beter. Met de juiste begeleiding leerde ze stap voor stap anders te kijken naar haar pijn, waardoor ze hier anders mee om kon gaan en zo haar bewegingsangst overwon.

Aanhoudende en/of chronische pijn kan leiden tot enorme veranderingen in het gedrag van mensen. Chronische pijn, ook wel omschreven als de pijn die aanhoudt na de normale geneestijd (International Association for the Study of Pain), veroorzaakt voor een groot gedeelte van de patiënten een handicap of beperkingen tijdens fysieke activiteit. Deze beperkingen van fysieke activiteit kunnen leiden tot een vicieuze cirkel, zoals beschreven werd bij de patiënte hierboven. Al in 1983 werd er een model ontwikkeld, het fear-avoidance model (Vlaeyen & Linton, 2000), om dit fenomeen te verklaren (Figuur 1). Dit veelgebruikte model geeft een mogelijke verklaring voor het ontstaan van bewegingsangst: de angst voor pijn en het proberen te vermijden van deze pijn. Dit leidt op zijn beurt weer tot nieuwe beperkingen, ontwijkend gedrag en mogelijke depressies. Chronische pijn kan dus voor sommige patiënten leiden tot vervelende consequenties op zowel fysiek als psychologisch gebied.

 

Figuur 1. Het ´fear-avoidance´ model (Vlaeyen & Linton, 2000).


Pijn kan worden geïnterpreteerd als een bedreiging (pain catastrophizing), wat zorgt voor pijn-gerelateerde angst. Dit leidt tot ontwijkend gedrag, overgevoeligheid van lichaamssensaties gevolgd door beperkingen, vermijden van het gebruik van lichaamsdelen en depressie. Dit zorgt samen voor een verhoogde pijnervaring . Deze cirkel mondt uit in een vicieuze cirkel, waarbij pijn en ontwijkend gedrag toeneemt. Wanneer de pijn niet meer leidt tot het catastroferen van pijn, zal de patiënt ook minder pijn gerelateerde angst ontwikkelen. Dit leidt tot confrontaties en gebruik van het lichaamsdeel tijdens dagelijkse activiteiten, wat een sneller herstel tot gevolg heeft.

In 1990 werd de term kinesiofobie, of bewegingsangst, geïntroduceerd (Kori et al., 1990). Kinesiofobie wordt ook wel omschreven als “een bovenmatige, irrationele en ondermijnende angst voor het gevoel van kwetsbaarheid door pijnlijk letsel of herletsel”. Mensen die lijden aan kinesiofobie, oftewel bewegingsangst, zijn bang dat wanneer ze bewegen de ernst van hun klachten zal toenemen of dat het letsel zal terugkeren, waardoor zij lichamelijke activiteit gaan vermijden. Deze angst voor pijn zorgt voor een belangrijke verandering in het gedrag van de patiënt, die negatieve gevolgen heeft voor een mogelijk herstel. Het oudhollandse gezegde “rust roest”, bewijst zich eens te meer in deze context.

Daarnaast hebben patiënten met kinesiofobie een verhoogd gevoel van handicap (Picavet et al., 2002, Severeijns et al., 2002, Buer & Linton, 2002) en hebben verschillende studies laten zien dat de fysieke prestatie van mensen met kinesiofobie beperkt is (Vlaeyen et al., 1995, Crombez et al., 1999, Al-Obaidi et al., 2000, van den Hout, 2001). Verder zorgt kinesiofobie voor het vermijden van werk, vrijetijdsactiviteiten en familie waardoor ook de participatie in de maatschappij verminderd, wat kan leiden tot sociaal isolement (Picavet et al., 2002). Op deze manier heeft kinesiofobie niet alleen lichamelijke klachten tot gevolg, maar ook psychosociale symptomen.

Kinesiofobie wordt in de klinische praktijk gemeten met behulp van de Tampa Scale for Kinesiophobia (TSK) (Miller et al., 1991). Deze TSK schaal is een vragenlijst die bestaat uit 17 items, waarbij elk item wordt gescoord op een 4-punts schaal. Een persoon bij wie kinesiofobie wordt vermoedt, vult bij elk van de items in of hij het er in hoge mate mee oneens tot hoge mate mee eens is. De score ligt hierbij tussen de 17 en 68 punten, waarbij een hogere score een hogere graad van bewegingsangst betekent. Een voorbeeld van een item uit de TSK schaal waar kinesiofobie patiënten vaak hoog op scoren is: “Ik kan niet alles doen wat gewone mensen doen, omdat ik te gemakkelijk letsel oploop.” Wanneer de totale score van de 17 vragen 37 of hoger is, wordt er gesproken van kinesiofobie.

De originele TSK schaal, welke in 1990 is ontwikkeld, was oorspronkelijk bedoeld om onderscheid te kunnen maken tussen de mate van angst die patiënten met chronische lage rugklachten ervaren: matige tot fobische angst (Kori et al., 1990). Echter, kinesiofobie blijkt in de praktijk niet alleen voor te komen bij patiënten met chronische rugklachten, maar het wordt bijvoorbeeld ook gezien bij mensen met sportblessures, reumatoïde artritis en osteoartritis. Verschillende studies hebben laten zien dat de TSK een betrouwbare en valide methode is om de mate van bewegingsangst te meten bij verschillende patiëntgroepen (Crombez et al., 1999, Hudes, 2011, Goubert et al. ,2004, Heuts et al., 2004, Roelofs et al., 2004, Nederhand et al., 2004, Cleland et al., 2008, Boersma & Linton, 2005, Kvist et al., 2005, Pells et al.,2007).

Wanneer kinesiofobie is vastgesteld, kan men een behandeling starten om zo de mate van angst voor bewegen te verminderen of zelfs teniet te doen. Een veel toegepaste therapie bij mensen met kinesiofobie is de zogenaamde ‘graded exposure in vivo’ therapie (Vlaeyen & Linton, 2000, Vlaeyen et al., 2001). Hierbij tracht de therapeut de patiënt het besef te geven dat hij in een vicieuze cirkel zit waardoor de angst en de aandacht voor de pijn in stand wordt gehouden. Wanneer de patiënt beseft dat het bewegen van het ‘pijnlijke’ lichaamsdeel geen ernstige consequenties heeft, kan hij of zij deze cirkel doorbreken. Reeds in 1987 werd deze therapie gebruikt en is sindsdien onverminderd succesvol gebleken (Philips, 1987). Verschillende studies hebben laten zien dat een verandering in het catastroferen (negatief interpreteren van de pijn (Picavet et al., 2002)) en dus het besef van de vicieuze cirkel, een positief effect heeft op de mate van beperking en de hoeveelheid pijn die patiënten ervaren. In een experiment van Crombez et al. (1996). werden patiënten met chronische lage rugklachten gevraagd om vier krachtoefeningen uit te voeren, waarbij ze het ‘aangedane’ gebied maximaal moesten gebruiken tijdens de oefeningen. Voorafgaand en na het uitvoeren van de oefeningen moesten de patiënten de mate van (verwachte) pijn aangeven. Uit de resultaten bleek dat patiënten met een hoge mate van bewegingsangst voorafgaand aan de oefening de pijn overschatten, waar ze na het uitvoeren van de oefening een veel realistischere schatting maakten. Deze associatie tussen catastroferen en pijn is in ook gevonden in verschillende andere studies waar gekeken werd naar andere aandoeningen, zoals osteoartritis van de knie (Sullivan et al., 2009), reumatoïde artritis (Keefe et al., 1997), pijn aan het bovenlichaam (de Das et al., 2013) en knieproblematiek (Domenech et al., 2014). Dit betekent dus dat kinesiofobie patiënten de neiging hebben om de mate van pijn veroorzaakt door beweging, te overschatten.

 

Figuur 2. Catastropheren van pijn.
(Bron: davidpotach.com/kinesiophobia)

De exacte mechanismes waardoor catastroferen de ervaring van pijn en handicap beïnvloedt zijn onbekend. De meest invloedrijke theorie suggereert dat catastroferen een grote invloed heeft op de perceptie en het daarmee gepaard gaande gedrag van de patiënt. Mensen die catastroferen zouden moeite hebben om zich niet te focussen op de pijn of de stimulus die de pijn veroorzaakt (Crombez et al., 1998, Peters et al., 2005). Deze versterkte angst voor pijn zou daarmee de aandacht op de pijnstimulus verhogen (Edwards et al., 2006). Daarnaast zijn er verschillende onderzoeken die suggereren dat bovenmatige emotionele evaluatie van pijn geassocieerd wordt met catastroferen. Dit leidt vervolgens tot een overmatige pijnperceptie. Recentelijk werd er een interessante fMRI-studie naar catastroferen en pijnperceptie uitgevoerd bij patiënten met chronische pijn (Gracely et al., 2004). Men wilde onderzoeken hoe de perceptie van chronische pijn in het brein tot stand komt. De studie liet zien dat catastroferen niet geassocieerd is met een hoge graad van activiteit in de pijn-geassocieerde gebieden, maar in de corticale gebieden die gerelateerd zijn aan aandacht, anticiperen met pijn en het emotionele aspect van pijn. Deze bevindingen wijzen erop dat de oorzaak van kinesiofobie ligt in de overmatige negatieve interpretatie van pijn.

Kinesiofobie, dat in eerste instantie veroorzaakt wordt door een lichamelijk trauma en vervolgens een psychologische vicieuze cirkel tot gevolg heeft, heeft een grote invloed op de levenskwaliteit van de patiënt. Een goede behandeling kan er voor zorgen dat patiënten leren omgaan met pijn en de perceptie van pijn. Echter, er is nog veel onbekend over de aandoening en meer onderzoek is dan ook nodig om zo een juist interdisciplinair behandelingsplan te maken voor de patiënt. Immers, moet een patiënt met kinesiofobie worden doorgestuurd naar de psycholoog, fysiotherapeut, bewegingswetenschapper, neuroloog of psychiater?

Noten en/of literatuur

(1) Vlaeyen JW, Linton SJ. Fear-avoidance and its consequences in chronic musculoskeletal pain: a state of the art. Pain 2000 Apr;85(3):317-332.

(2) Kori S, Miller R, Todd D. A new view of chronic pain behavior. Pain Management 1990;3:35-43.

(3) Picavet HS, Vlaeyen JW, Schouten JS. Pain catastrophizing and kinesiophobia: predictors of chronic low back pain. American Journal of Epidemiology 2002 Dec 1;156(11):1028-1034.

(4) Severeijns R, van den Hout MA, Vlaeyen JW, Picavet HS. Pain catastrophizing and general health status in a large Dutch community sample. Pain 2002 Sep;99(1-2):367-376.

(5) Buer N, Linton SJ. Fear-avoidance beliefs and catastrophizing: occurrence and risk factor in back pain and ADL in the general population. Pain 2002 Oct;99(3):485-491.

(6) Vlaeyen JW, Kole-Snijders AM, Boeren RG, van Eek H. Fear of movement/(re)injury in chronic low back pain and its relation to behavioral performance. Pain 1995 Sep;62(3):363-372.

(7) Crombez G, Vlaeyen JW, Heuts PH, Lysens R. Pain-related fear is more disabling than pain itself: evidence on the role of pain-related fear in chronic back pain disability. Pain 1999 Mar;80(1-2):329-339.

(8) Al-Obaidi SM, Nelson RM, Al-Awadhi S, Al-Shuwaie N. The role of anticipation and fear of pain in the persistence of avoidance behavior in patients with chronic low back pain. Spine (Phila Pa 1976) 2000 May 1;25(9):1126-1131.

(9) van den Hout JH, Vlaeyen JW, Houben RM, Soeters AP, Peters ML. The effects of failure feedback and pain-related fear on pain report, pain tolerance, and pain avoidance in chronic low back pain patients. Pain 2001 May;92(1-2):247-257.

(10) Miller R, Kori S, Todd D. The Tampa scale. Unpublished 1991.

(11) Hudes K. The Tampa Scale of Kinesiophobia and neck pain, disability and range of motion: a narrative review of the literature. Journal of Canadian Chiropractor Association, 2011 Sep;55(3):222-232.

(12) Goubert L, Crombez G, Van Damme S, Vlaeyen JW, Bijttebier P, Roelofs J. Confirmatory factor analysis of the Tampa Scale for Kinesiophobia: invariant two-factor model across low back pain patients and fibromyalgia patients. Clinical Journal of Pain, 2004 Mar-Apr;20(2):103-110.

(13) Heuts PH, Vlaeyen JW, Roelofs J, de Bie RA, Aretz K, van Weel C, et al. Pain-related fear and daily functioning in patients with osteoarthritis. Pain 2004 Jul;110(1-2):228-235.

(14) Roelofs J, Goubert L, Peters ML, Vlaeyen JW, Crombez G. The Tampa Scale for Kinesiophobia: further examination of psychometric properties in patients with chronic low back pain and fibromyalgia. European Journal of Pain 2004 Oct;8(5):495-502.

(15) Nederhand MJ, IJzerman MJ, Hermens HJ, Turk DC, Zilvold G. Predictive value of fear avoidance in developing chronic neck pain disability: consequences for clinical decision making. American of Physical and Medical Rehabilitation 2004 Mar;85(3):496-501.

(16) Cleland JA, Fritz JM, Childs JD. Psychometric properties of the Fear-Avoidance Beliefs Questionnaire and Tampa Scale of Kinesiophobia in patients with neck pain. American of Physical and Medical Rehabilitation 2008 Feb;87(2):109-117.

(17) Boersma K, Linton SJ. How does persistent pain develop? An analysis of the relationship between psychological variables, pain and function across stages of chronicity. Behavioral Therapy 2005 Nov;43(11):1495-1507.

(18) Kvist J, Ek A, Sporrstedt K, Good L. Fear of re-injury: a hindrance for returning to sports after anterior cruciate ligament reconstruction. Knee Surgery Sports Traumatology Arthrosclerose 2005 Jul;13(5):393-397.

(19) Pells J, Edwards CL, McDougald CS, Wood M, Barksdale C, Jonassaint J, et al. Fear of movement (kinesiophobia), pain, and psychopathology in patients with sickle cell disease. Clinical Journal of Pain 2007 Oct;23(8):707-713.

(20) Vlaeyen JW, de Jong J, Geilen M, Heuts PH, van Breukelen G. Graded exposure in vivo in the treatment of pain-related fear: a replicated single-case experimental design in four patients with chronic low back pain. Behavioural Therapy 2001 Feb;39(2):151-166.

(21) Philips HC. Avoidance behaviour and its role in sustaining chronic pain. Behav Res Ther 1987;25(4):273-279.

(22) Crombez G, Vervaet L, Baeyens F, Lysens R, Eelen P. Do pain expectancies cause pain in chronic low back patients? A clinical investigation. Behav Res Ther 1996 Nov-Dec;34(11-12):919-925.

(23) Sullivan H, Bishop S, Pivik J. The Pain Catastrophizing Scale: development and validation. Psychol Assess 2009;7:524-532.

(24) Keefe FJ, Affleck G, Lefebvre JC, Starr K, Caldwell DS, Tennen H. Pain coping strategies and coping efficacy in rheumatoid arthritis: a daily process analysis. Pain 1997 Jan;69(1-2):35-42.

(25) Das De S, Vranceanu AM, Ring DC. Contribution of kinesophobia and catastrophic thinking to upper-extremity-specific disability. J Bone Joint Surg Am 2013 Jan 2;95(1):76-81.

(26) Domenech J, Sanchis-Alfonso V, Espejo B. Changes in catastrophizing and kinesiophobia are predictive of changes in disability and pain after treatment in patients with anterior knee pain. Knee Surg Sports Traumatol Arthrosc 2014 Oct;22(10):2295-2300.

(27) Crombez G, Eccleston C, Baeyens F, Eelen P. When somatic information threatens, catastrophic thinking enhances attentional interference. Pain 1998 Apr;75(2-3):187-198.

(28) Peters ML, Vlaeyen JW, Weber WE. The joint contribution of physical pathology, pain-related fear and catastrophizing to chronic back pain disability. Pain 2005 Jan;113(1-2):45-50.

(29) Edwards RR, Smith MT, Stonerock G, Haythornthwaite JA. Pain-related catastrophizing in healthy women is associated with greater temporal summation of and reduced habituation to thermal pain. Clin J Pain 2006 Oct;22(8):730-737.

(30) Gracely RH, Geisser ME, Giesecke T, Grant MA, Petzke F, Williams DA, et al. Pain catastrophizing and neural responses to pain among persons with fibromyalgia. Brain 2004 Apr;127(Pt 4):835-843.

Trijntje Albada

 

Trijntje Albada (MSc) heeft bewegingswetenschappen gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen en is momenteel werkzaam als WMO consulente. Ze schreef voor Blind een interdisciplinair artikel over het intrigerende fenomeen van bewegingsangst: fysieke pijn die op den duur leidt tot een negatieve spiraal met zowel fysieke als psychologische symptomen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *