Op naar een rijkere evolutionaire psychologie

Op naar een rijkere evolutionaire psychologie

De evolutionaire psychologie probeert theorieën en concepten uit de evolutionaire biologie toe te passen in de psychologie. Het idee is dat de evolutietheorie door een zeer breed forum van wetenschappers wordt geaccepteerd. Als wetenschapper moet je dus altijd in je achterhoofd houden dat deze theorie, ook buiten het vakgebied van de biologie, algemeen aanvaard is. Dit betekent dat je geen theorie dient op te stellen die in strijd is met de principes van de evolutietheorie. Een soort verplichte interdisciplinariteit.

Wat betekent dit idee voor de psychologie? Veel psychologen hebben nauwelijks kennis van de evolutietheorie. Geen nood, er zijn een paar psychologen die zichzelf evolutionair psycholoog noemen en ons de evolutietheorie in een notendop presenteren. Het verhaal gaat als volgt. Eerst was er Charles Darwin, die in 1859 een boek schreef waarin stond dat evolutie plaatsvindt door middel van natuurlijke selectie. In een populatie bestaan individuele verschillen, en door deze verschillen doen sommige individuen het beter dan anderen. ‘Het beter doen’ betekent betere overlevingskansen en een groter reproductief succes. Op deze manier worden individuen met succesvolle eigenschappen, adaptaties genaamd, op natuurlijke wijze geselecteerd. Vervolgens liet Gregor Mendel met zijn erfelijkheidstheorie zien hoe het proces van overerving van eigenschappen werkt. 

Het samengaan van Darwin’s evolutietheorie en Mendel’s genetica in de jaren dertig van de vorige eeuw was de basis voor wat in de evolutionaire biologie de Moderne Synthese wordt genoemd. Deze Moderne Synthese staat nog steeds als een huis. Natuurlijk zijn er in de loop der jaren kleine wijzigingen aangebracht en nieuwe concepten toegevoegd, zoals het begrip ‘inclusive fitness’, bedacht door William Hamilton. Je bent een ‘fit’ persoon als je, door zelf kinderen ter wereld te brengen, je genen aan een volgende generatie doorgeeft. Maar ook andere verwanten hebben een deel van jouw genen. Zo heeft je broer of zus de helft van jouw genen, je oom of tante een kwart en hun kinderen weer een achtste van jouw genen. Dus heeft het in termen van fitness niet alleen zin om jezelf voort te planten, maar doe je er ook goed aan je naaste familie te steunen. Dit wordt ‘inclusive fitness’ genoemd. 

Vervolgens schreef George Williams in 1966 een invloedrijk boek, waarin nog eens helder en duidelijk uiteen werd gezet waar het in de evolutietheorie om gaat. Ook gaf hij een aantal criteria om te bepalen wanneer een bepaalde eigenschap een adaptatie genoemd kan worden, zoals zuinigheid, efficiëntie, complexiteit, precisie, specialisatie en betrouwbaarheid. En daarna kwam Richard Dawkins, die een paar leuke, leesbare boeken schreef over de almachtigheid van natuurlijke selectie en zelfzuchtige genen. Als je het beeld volgt dat evolutionair psychologen schetsen van de huidige stand van zaken in de evolutionaire biologie gaat het in dit vakgebied dus om Darwin, Mendel, Hamilton, Williams en Dawkins. 

Op basis van deze schets van de evolutionaire biologie is het dan ook niet vreemd dat een groot deel van de evolutionaire psychologie gaat over partnerkeuze, seks en het investeren van ouders in kinderen. Dit zijn natuurlijk onderwerpen die sterk gerelateerd zijn aan fitness en reproductie. Een ander belangrijk thema in de evolutionaire psychologie is sekseverschillen. Ook hier is de link met fitness en reproductie snel te zien. Omdat mannen in principe alleen hun sperma hoeven te verspreiden om zich voort te planten, terwijl vrouwen negen maanden zwanger zijn en nog jarenlang hun kroost moeten verzorgen, is het niet vreemd te veronderstellen dat hieruit diverse sekseverschillen voortvloeien. Zo blijkt bijvoorbeeld dat mannen meer behoefte hebben aan verschillende seksuele partners dan vrouwen, ongeacht het land of de cultuur waarin zij leven. De evolutionaire psychologie heeft ervoor gezorgd dat er een aantal interessante hypothesen is opgeworpen en voor veel van deze hypothesen is ook experimentele evidentie gevonden. Knap werk.

Metatheorie

De evolutionaire psychologie pretendeert echter meer te zijn dan alleen maar een generator van nieuwe hypothesen die experimenteel getoetst kunnen worden. Zij pretendeert een metatheorie voor de psychologie te zijn. De psychologie staat erom bekend dat er veel onderzoek wordt gedaan naar allerlei deelfacetten van de menselijke geest, maar dat het ontbreekt aan een samenhangende theorie die de losse feiten met elkaar kan verbinden. De evolutionaire psychologie denkt deze samenhangende theorie te bieden. Maar doet zij dat daadwerkelijk? Er zijn ideeën over het toepassen van de evolutionaire psychologie op verschillende deelgebieden van de psychologie, zoals de sociale psychologie, de ontwikkelingspsychologie, de klinische psychologie en de persoonlijkheidspsychologie. Maar wederom gaat het om het opwerpen van een paar hypothesen die passen in het kader van de evolutietheorie. Hoe interessant die hypothesen ook kunnen zijn, er is tot nu toe geen sprake van een theorie die de losse eindjes van de psychologie aan elkaar knoopt. Het lijkt erop dat de evolutionaire psychologie juist nieuwe feitjes verzamelt en toevoegt aan de lange reeks feitjes in de psychologie, zonder de psychologie in algemene zin te verrijken. 

Is met deze constatering het idee van de evolutionaire psychologie als metatheorie voor de algemene psychologie afgeserveerd? Nee, is mijn mening. De evolutionaire psychologie heeft veel meer in haar mars dan zij tot nu toe laat zien. Dat komt omdat zij een zeer eenzijdig beeld schetst van wat de evolutionaire biologie te bieden heeft. Ik noemde het rijtje al eerder: Darwin, Mendel, Hamilton, Williams en Dawkins. Dit zijn grote namen van het vakgebied van de evolutietheorie, en de ideeën van deze mannen zijn vakkundig door de evolutionaire psychologie verwoord en in een psychologisch kader geplaatst. Maar er is in die anderhalve eeuw sinds Darwin zo veel meer gebeurd dan het werk van deze vijf. Laat ik een aantal belangrijke punten noemen.

Functie versus vorm

De evolutionaire biologie wordt al eeuwenlang, ver voor de tijd van Darwin, gedomineerd door twee verschillende stromingen. De beroemde evolutiedeskundige Stephen Jay Gould heeft het in zijn laatste boek voor zijn dood prachtig uiteengezet. De ene stroming wordt die van de functionalisten genoemd. Functionalisten geloven dat alles wat op aarde leeft, of in elk geval alle belangrijke eigenschappen van levende vormen, er zijn omdat ze een functie hebben. Met het oog kunnen we zien, daarom hebben we een oog. Met het oor kun je horen, daarom hebben we een oor. De andere stroming is die van de formalisten. Formalisten zeggen dat er eerst bepaalde vormen van levende materie waren, en dat die later, min of meer toevallig, een functie hebben gekregen. Dus de functionalisten beweren: eerst functie, dan vorm. De formalisten beweren: eerst vorm, dan functie. 

Zoals gezegd loopt deze discussie al eeuwenlang, tot op de dag van vandaag. De functionalisten worden heden ten dage gerepresenteerd door met name Richard Dawkins en Daniel Dennett met hun verhaal over natuurlijke selectie die alles wat levend is bepaalt. Het formalisme vinden we vandaag de dag terug bij mensen als Brian Goodwin en Stuart Kauffman, die beargumenteren dat er, net als in de natuurkunde en de scheikunde, ook in de biologie principes en wetten zijn die bepalen hoe levende wezens eruit kunnen zien. Volgens de functionalisten is vrijwel elke vorm mogelijk en bepaalt natuurlijke selectie welke vormen overleven (namelijk die vormen die het best zijn aangepast aan de omgeving). Volgens de formalisten is er slechts een beperkt aantal vormen mogelijk, en natuurlijke selectie kan dus alleen werken met die paar vormen die er zijn. 

Een van de belangrijkste verschillen in denken zie je terug in de discussie over hoe uitzonderlijk het is dat bijvoorbeeld de mensheid ooit is ontstaan. Functionalisten zeggen dat dit een ‘mirakel’ is, omdat er volgens hen in principe een oneindig aantal mogelijke vormen is, en dat de mensheid is ontstaan is puur toeval. Formalisten zeggen dat het helemaal niet zo’n mirakel is, want er is slechts een aantal basisvormen, en samen met een paar principes uit de complexiteitstheorie is het helemaal niet onwaarschijnlijk dat een complexe vorm als de mens is ontstaan. 

Welke positie neemt de evolutionaire psychologie in? De evolutionaire psychologie behoort overduidelijk tot de stroming van de functionalisten. Zij beargumenteren dat het zinvol is om te kijken naar de functie van bepaalde psychologische eigenschappen, omdat kennis van de functie kan bijdragen aan kennis van de structuur van de eigenschap. Eerst functie, dan vorm. De bijdrage die door formalisten aan de evolutionaire biologie wordt geleverd, gaat aan de evolutionaire psychologie voorbij. Ik zal beargumenteren dat het niet opnemen van concepten van de formalistische stroming een gemis is en dat het opnemen van formalistische ideeën kan bijdragen aan de metatheorie die de evolutionaire psychologie zo graag wil zijn.

Evolutionaire ontwikkelingsbiologie

Ik noemde Brian Goodwin en Stuart Kauffman al als huidige aanvoerders van de stroming van de formalisten. Zij zijn echte formalisten die zoeken naar algemeen geldende principes en wetten in de biologie. Er is in de evolutionaire biologie een brede stroming die gelieerd is aan de formalistische stroming. Deze stroming wordt de evolutionaire ontwikkelingsbiologie genoemd. De evolutionaire ontwikkelingsbiologie is gerelateerd aan de formalistische stroming, omdat ook zij beargumenteert dat natuurlijke selectie alleen niet allesbepalend is. Vormen die mogelijkerwijs functioneel kunnen zijn, ontstaan eerst voordat zij worden geselecteerd. Natuurlijke selectie maakt zelf niks, zij kan alleen maar werken met de materie die aanwezig is. Natuurlijke selectie selecteert, maar creëert niets. Evolutionaire ontwikkelingsbiologen benadrukken, in tegenstelling tot functionalisten, het proces van creatie en niet dat van selectie. Dat wil niet zeggen dat natuurlijke selectie onbelangrijk is, het selecteert dat wat functioneel is. Maar hoe ontstaat dat wat functioneel is? Welk proces ligt hieraan ten grondslag?

De evolutionaire ontwikkelingsbiologie bewandelt verschillende paden om dit proces te achterhalen. Ten eerste is een belangrijk onderwerp het bestuderen van embryonale ontwikkeling en hoe deze ontwikkeling is geëvolueerd. Het is bekend dat verschillende diersoorten in het beginstadium van de embryonale fase erg op elkaar lijken. Pas later als het embryo zich verder ontwikkelt, worden de verschillen tussen de soorten duidelijk zichtbaar. Darwin heeft dit, terecht, geïnterpreteerd als evidentie voor het bestaan van een gemeenschappelijke voorouder van alle soorten. Maar het laat ook zien dat er blijkbaar weinig verschillende embryonale basisvormen zijn. Een interessant gegeven voor de formalisten. Het onderzoeken van de embryonale fase is belangrijk om het proces van het ontstaan van nieuwe varianten te ontdekken, want als er belangrijke veranderingen optreden, dan moet dat in deze fase gebeuren. 

Een ander pad van de evolutionaire ontwikkelingsbiologie is het bestuderen van de invloed van individuele ontwikkeling op evolutionaire veranderingen van eigenschappen. Met name hier wordt het interessant voor de evolutionaire psychologie, want het wordt steeds duidelijker dat gedrag evolutionaire veranderingen kan initiëren. Het idee is dat het eerste stadium van evolutionaire verandering een verandering is in gedrag. Dit nieuwe gedrag leidt tot nieuwe mogelijkheden om met bepaalde aspecten van de omgeving om te gaan. Het tweede stadium wordt gekenmerkt door morfologische of fysiologische veranderingen als gevolg van de nieuwe mogelijkheden om van de omgeving gebruik te maken. In het derde stadium vindt genetische verandering plaats als een subpopulatie die het nieuwe gedrag met bijbehorende morfologische of fysiologische veranderingen vertoont, geïsoleerd raakt van de originele populatie. 

Een biologisch voorbeeld hiervan is de verandering van gedrag van de appel-made-vlieg in de Verenigde Staten. Het vrouwtje legde haar eitjes gewoonlijk in de struiken van de meidoorn. Nadat in de VS de gekweekte appelboom werd geïntroduceerd, waren er ook vrouwtjes die hun eitjes in appelbomen gingen leggen. Inmiddels zijn er twee verschillende soorten appel-made-vliegen, een die haar eitjes in de meidoorn legt en een die haar eitjes in de appelboom legt. Deze twee soorten verschillen genetisch van elkaar en paren niet met elkaar. De moraal van dit verhaal is dat de evolutie van nieuw gedrag plaatsvindt voordat de genetische verandering plaatsvindt. Dit in tegenstelling tot wat aanhangers van de Moderne Synthese stellen: er moet eerste een genetische verandering plaatsvinden, voordat nieuw gedrag mogelijk wordt. Ideeën uit de evolutionaire ontwikkelingsbiologie laten dus basisprincipes van de Moderne Synthese op hun grondvesten trillen.

Een derde pad dat de evolutionaire ontwikkelingsbiologie opgaat is het oplossen van vraagstukken die binnen het functionalistische kader moeilijk liggen. Een voorbeeld hiervan is discontinuïteit in evolutie. Darwin en met hem vele aanhangers van de Moderne Synthese nemen aan dat evolutie een gradueel proces is. Er vindt een mutatie in de genen plaats, en die verandert de vorm of het gedrag van een individu een klein beetje. Deze verandering kan positief of negatief zijn. Is de verandering positief, dan zal natuurlijke selectie ervoor zorgen dat deze verandering behouden blijft. Op een bepaald moment vindt er weer een mutatie plaats, en het proces wordt opnieuw ingezet. Telkens verandert een individu een klein beetje, en als deze verandering positief is, dan zal natuurlijke selectie voor behoud van deze verandering zorgen. Stap voor stap worden op deze manier adaptaties gevormd. Er zijn echter voorbeelden in de evolutionaire geschiedenis aan te wijzen dat er geen noemenswaardige veranderingen plaatsvonden, gevolgd door een relatief korte periode waarin wel veel veranderingen plaatsvonden. Deze voorbeelden zijn moeilijk in te passen in de Moderne Synthese. De evolutionaire ontwikkelingsbiologie daarentegen heeft hier uitgebreid onderzoek naar gedaan en dit heeft geleid tot modellen die de loop van de evolutie goed kunnen beschrijven en verklaren.

Daadwerkelijke interdisciplinariteit

Dit klinkt allemaal leuk en aardig, maar wat heeft de psychologie hieraan? Allereerst stelt de evolutionaire ontwikkelingsbiologie ontwikkeling centraal, zoals de naam al doet vermoeden. Een individu maakt een bepaalde ontwikkeling door, leidend tot bepaald gedrag, en deze ontwikkeling en dit gedrag geven de aanzet voor nieuwe evolutionaire veranderingen. Dit is een buitengewoon interessant gegeven, omdat het bestuderen van ontwikkeling en gedrag de kerntaak is van de psychologie. We kunnen dus niet alleen kijken naar hoe onze evolutionaire geschiedenis ons huidige gedrag heeft bepaald. We kunnen ook onderzoeken in hoeverre ons gedrag onze evolutie mogelijk heeft gemaakt. Toepassing van deze tweede mogelijkheid, tot nu toe door de evolutionaire psychologie onbenut gelaten, zou de evolutionaire psychologie vele malen breder maken en een stap in de richting van de gewenste metatheorie zijn.

Ten tweede kunnen we het functionalistische kader uitbreiden met het formalistische kader. Dat betekent niet alleen kijken naar de functies van gedrag, maar ook naar welke vormen van gedrag sowieso mogelijk zijn. Is inderdaad alles mogelijk, zoals de functionalisten stellen, of zitten er in gedrag herkenbare patronen die telkens terugkeren en moeilijk veranderbaar zijn? 

Ten derde zijn er de moeilijke kwesties in evolutionaire ontwikkelingsbiologie, die vaak parallel liggen aan moeilijke kwesties in de psychologie. Neem bijvoorbeeld de vraag naar discontinuïteit in evolutie. Deze vraag klinkt een psycholoog bekend in de oren, alleen gaat het in de psychologie om de vraag in hoeverre de ontwikkeling van kinderen discontinu is. Misschien hebben evolutie en ontwikkeling van kinderen niks met elkaar te maken, maar dit lijkt onwaarschijnlijk. Het is goed mogelijk dat de wiskundige vergelijkingen die evolutionair ontwikkelingsbiologen toepassen in hun modellen om evolutie te beschrijven, ook een goede beschrijving geven van de ontwikkeling van kinderen. Dit is nog niet onderzocht, maar de modellen die ontwikkeld zijn in de evolutionaire ontwikkelingsbiologie zijn al zo ver ontwikkeld, dat het de moeite waard is om als psycholoog eens een kijkje in de keuken te gaan nemen. Ik ben er van overtuigd dat de psychologie nog heel veel kan leren van de ontwikkelingsbiologie.

De strekking van dit verhaal is dat er veel meer te halen is uit de evolutionaire biologie dan de huidige evolutionaire psychologen tot nu toe hebben gedaan. Door de beperkte blik is het ideaal van een metatheorie voor de psychologie een droom en geen werkelijkheid. Door toevoeging van ideeën en concepten uit de evolutionaire ontwikkelingsbiologie komt het ideaal van de metatheorie een stap dichterbij. Wat we nodig hebben is daadwerkelijke interdisciplinariteit.

Noten en/of literatuur

Darwin, C. (1859). The origin of species. London: Murray.
Dawkins, R. (1976). The selfish gene. Oxford: Oxford University Press.
Dawkins, R. (1986). The blind watchmaker. Essex: Longman.
Dennett, D.C. (1995) Darwin’s dangerous idea: Evolution and the meaning of life. New York: Simon & Schuster.
Gottlieb, G. (2002). Developmental-behavioral initiation of evolutionary change. Psychological Review, 109, 211-218.
Goodwin, B. (1994). How the leopard changed its spots: The evolution of complexity. Princeton: Princeton University Press.
Gould, S.J. (2002). The structure of evolutionary thought. Cambridge: Belknap Press of Harvard University Press.
Hall, B.K., & Olson, W.M. (2003) (Eds.). Keywords and concepts in evolutionary developmental biology. Cambridge: Harvard University Press.
Hamilton, W.D. (1964). The genetical evolution of social behavior. Journal of Theoretical Biology, 7, 1-52.
Kauffman, S. (1995). At home in the universe: The search for the laws of self-organization and complexity. Oxford: Oxford University Press.
Stadler, B.M., Stadler, P.F., Wagner, G.P., & Fontana, W. (2001). The topology of the possible: Formal spaces underlying patterns of evolutionary change. Journal of Theoretical Biology, 213, 241-274.
Strickberger, M.W. (1996). Evolution (2nd ed.). Boston: Jones and Bartlett.
Williams, G.C. (1966). Adaptation and natural selection: A critique of some current evolutionary thought. Princeton: Princeton University Press.

Annemie Ploeger studeerde af in de psychologie. Zij werkt momenteel aan de Universiteit van Amsterdam aan een proefschrift over de rol die de evolutionaire psychologie kan spelen in de ontwikkelingspsychologie. Ook geeft zij onderwijs over evolutionaire psychologie.

Leave a Reply

Your email address will not be published.